Kabinet versterkt aanpak ernstige verstoringen openbare orde met nieuwe politiebevoegdheden
Het kabinet geeft de politie meer bevoegdheden om (mogelijke) ernstige verstoringen van de openbare orde te voorkomen. Daarmee heeft de ministerraad ingestemd op voorstel van minister Van Weel van Justitie en Veiligheid. Met het wetsvoorstel Wet gegevensvergaring openbare orde verbetert het kabinet de informatiepositie van de politie en de burgemeester. Het wetsvoorstel gaat nu naar de Raad van State voor advies.
Minister Van Weel: “Ernstige verstoringen van de openbare orde worden steeds vaker aangejaagd en georganiseerd via sociale media en andere online platforms. Het is daarom essentieel dat de politie online informatie mag vergaren om tijdig te kunnen ingrijpen, hiermee doet het kabinet een stap voorwaarts in het versterken van het gezag op straat.”
De nieuwe bevoegdheden
Het wetsvoorstel geeft de politie 2 extra bevoegdheden om online gegevens te verzamelen uit publiek toegankelijke bronnen. Het gaat om het verzamelen van persoonsgegevens uit het openbare deel van het internet en online gegevens verzamelen van personen en hun openbare accounts. Van deze personen moet het vermoeden bestaan dat zij een belangrijke rol spelen bij een (mogelijk) ernstige verstoring van de openbare orde. Zo kan de politie bij aanwijzingen dat rellen dreigen uit te breken, denk bijvoorbeeld aan de Malieveldrellen van afgelopen september of de rellen op de boulevard van Scheveningen vorig jaar in mei, de noodzakelijke gegevens online verzamelen om tijdig in te grijpen en de verstoring te voorkomen of te stoppen. De politie oefent deze bevoegdheden uit onder gezag en verantwoordelijkheid van de burgemeester.
Waarborgen
Het wetsvoorstel bevat stevige waarborgen omdat het een grote impact kan hebben op de levenssfeer van mensen. De burgemeester heeft voor de inzet van de bevoegdheden een machtiging nodig van de rechter-commissaris. Daarnaast geldt een strikt regime voor de verwerking van de verzamelde persoonsgegevens.
Leegstandsheffing nieuw instrument in aanpak leegstand
Gemeenten krijgen op initiatief van de Tweede Kamer een nieuw instrument om langdurige leegstand van woningen aan te pakken: de leegstandsheffing. Hiermee kunnen gemeenten een belasting opleggen aan eigenaren van woningen die langer dan een jaar leegstaan. Doel is om ervoor te zorgen dat alle beschikbare woonruimte gebruikt wordt om in te wonen. Leegstand is onwenselijk in tijden van woningnood, waarin veel mensen op zoek zijn naar een huis.
Minister Elanor Boekholt-O’Sullivan van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening heeft het besluit op 20 maart gepubliceerd. Gemeenten kunnen de leegstandsheffing vanaf nu opnemen in een lokale belastingverordening. Vanaf dat moment begint de periode van een jaar te lopen dat een woning leeg moet staan, voordat de heffing kan worden opgelegd. De VNG werkt aan een model belastingbesluit voor gemeenten. Hierin wordt de precieze vormgeving uitgewerkt.
Bestaande instrumenten
Gemeenten kunnen de leegstandbelasting inzetten in combinatie met de bestaande instrumenten uit de Leegstandwet. Het kabinet werkt momenteel aan wijziging van de Leegstandwet. Het wetsvoorstel lag afgelopen zomer in consultatie en gaat binnenkort voor advies naar de Raad van State.
Effectievere bevoegdheden
Met de gewijzigde Leegstandwet krijgen gemeenten effectievere bevoegdheden om leegstand aan te pakken. Zo kan een gemeente een collectieve vergunning afgeven voor tijdelijke verhuur. Dit geldt alleen voor woonruimtes in een gebouw en bij sloop en (ver)nieuwbouw. Ook mag de gemeente straks het elektriciteitsverbruik van een pand opvragen om te controleren of het pand leegstaat. Gemeenten kunnen daarnaast een verplichting opleggen om een langdurig leegstaand pand weer in gebruik te nemen of geven.
Afspraken voor stevige lokale teams in elke gemeente: hulp dichtbij gezinnen
Door problemen eerder aan te pakken, kunnen jongeren beter worden geholpen. Ook kan zwaardere, specialistische jeugdzorg vaker worden voorkomen. Daarom is het belangrijk dat hulp dichtbij jongeren en hun gezin beschikbaar is. Lokale teams spelen daarin een belangrijke rol. Zij ondersteunen inwoners, bijvoorbeeld bij vragen over zorg en opvoeding. Gemeenten, het Rijk en andere organisaties hebben nieuwe afspraken gemaakt om deze lokale teams te versterken. Met het convenant Stevige lokale teams spreken zij af dat de teams in heel Nederland goed georganiseerd zijn.
Het convenant werd ondertekend door de Vereniging Nederlandse Gemeenten, de ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onderwijs Cultuur en Wetenschap, de Associatie Wijkteams, de Samenwerkende Beroepsverenigingen Jeugd, GGD GHOR Nederland, ActiZ Jeugd, MIND, Ieder(in) en Sociaal Werk Nederland.
Laagdrempelige manier
Minister Sterk (Jeugd): “Als je je ergens zorgen over maakt of zorgen hebt over je kind, wil je snel iemand kunnen spreken die met je meedenkt. Dat moet overal in Nederland op een laagdrempelige manier kunnen. Het is daarbij belangrijk dat we niet alleen kijken naar het kind, maar naar het hele gezin. Zo worden jongeren beter geholpen, kan de druk op de aanvullende hulp worden verminderd en wordt de jeugdzorg beter houdbaar voor de toekomst.”
Doen waar ze goed in zijn
Staatssecretaris Tielen (Onderwijs): Jongeren groeien en leren elke dag. Daarvoor is het belangrijk dat jongeren en hun ouders mensen dichtbij hebben die hen kennen en zien. Stevige lokale teams, op en rondom school, kunnen hen helpen als het minder gaat. Zo kunnen leraren doen waar ze goed in zijn: lesgeven. En kunnen leerlingen doen waar het om gaat: leren en zich ontwikkelen.
Lokale teams bieden passende hulp aan gezinnen
Het lokale team is het eerste aanspreekpunt voor jongeren en gezinnen, bijvoorbeeld bij vragen over opvoeden. Het team kijkt met een brede blik naar wat er speelt in het gezin en helpt onderliggende problemen aan te pakken. Waar nodig werken zij samen met andere domeinen, zoals onderwijs en schuldhulpverlening. De teams zijn aanwezig in de wijk of op scholen.
Minder verschillen tussen gemeenten
Er zijn nu nog grote verschillen tussen gemeenten in de ondersteuning aan inwoners. Met het convenant spreken gemeenten, uitvoeringsorganisaties en het Rijk af om meer op één lijn te komen in de hulp. Zo moet voor inwoners duidelijker worden wat zij kunnen verwachten. De ondertekenaars vinden het belangrijk dat iedereen kan rekenen op toegankelijke, samenhangende en passende ondersteuning, ongeacht waar iemand woont.
Wetsvoorstel Reikwijdte
Deze aanpak sluit aan bij het wetsvoorstel Reikwijdte. Daarmee wil het kabinet problemen zo dicht mogelijk bij jongeren en gezinnen oplossen en specialistische jeugdzorg alleen inzetten als dat echt nodig is. Zo krijgen jongeren sneller passende hulp, gemeenten meer grip en wordt de jeugdzorg beter houdbaar voor de toekomst.
Internetconsultatie gestart voor nieuw landelijk meldpunt discriminatie
Om discriminatie beter te kunnen melden en slachtoffers sneller te ondersteunen, werkt het kabinet aan 1 duidelijk en landelijk herkenbaar meldpunt. Dit meldpunt gaat meldingen registreren, slachtoffers ondersteunen en werken aan de preventie van discriminatie. Om dit te regelen heeft Minister Heerma van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het concept wetsvoorstel Wet bijstand bij discriminatie in consultatie gebracht. Iedereen kan nu via de internetconsultatie reageren op de plannen voor het landelijke meldpunt.
Knelpunten huidig systeem
Op dit moment bepalen gemeenten zelf waar inwoners discriminatie kunnen melden. De meeste gemeenten doen dat via de landelijke vereniging Discriminatie.nl. Die vereniging heeft 18 antidiscriminatiebureaus met 27 plaatselijke loketten in het land. Sinds 2024 gebruiken deze antidiscriminatiebureaus dezelfde naam voor hun meldpunt, namelijk Discriminatie.nl.
Dit systeem van meldpunten kent verschillende problemen. Zo zijn er verschillen in dienstverlening, omdat de antidiscriminatiebureaus door gemeenten worden gefinancierd. Sommige bureaus krijgen meer geld en kunnen daardoor meer diensten aanbieden dan andere. Daarnaast ervaren mensen drempels om discriminatie te melden. Uit onderzoek blijkt dat meldpunten niet altijd bekend zijn en dat mensen soms weinig vertrouwen hebben in het nut van een melding. De Wet bijstand bij discriminatie moet deze en andere knelpunten aanpakken.
Nieuwe landelijke structuur
In plaats van het huidige stelsel met veel losse en verschillende bureaus, moet er 1 landelijke organisatie komen die meldingen coördineert en ondersteuning biedt. De lokale meldpunten bestaan.
De wet zorgt ervoor dat de nieuwe landelijke organisatie gefinancierd wordt door het Rijk, zodat er uniformiteit in de dienstverlening en kwaliteit komt voor alle lokale meldpunten.
Met de nieuwe structuur moet het makkelijker worden om discriminatie te melden. Er komt 1 herkenbaar meldpunt waar mensen terecht kunnen. Dat meldpunt is zowel fysiek als online en telefonisch bereikbaar. Ook wordt de hulp overal op dezelfde manier aangeboden, wat moet bijdragen aan een effectievere aanpak van discriminatie.
Het wetsvoorstel is opgesteld in afstemming met onder anderen de huidige vereniging van antidiscriminatievoorzieningen (Discriminatie.nl), de gemeenten (VNG) en de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme (NCDR).
Actieve openbaarmaking
Om te voldoen aan de Wet open overheid maakt het ministerie van BZK de stukken over dit wetsvoorstel actief openbaar. Via deze tijdlijn kunt u meekijken met interne documenten en zien hoe het wetsvoorstel is gemaakt. Denk bijvoorbeeld aan verslagen van overleggen tussen BZK en andere betrokken organisaties. Deze extra transparantie past bij het maatschappelijke gewicht van het onderwerp (anti)discriminatie en bij de belangrijke rol van antidiscriminatievoorzieningen.
Consultatieperiode
Het wetsvoorstel is tot en met 1 mei 2026 (online) opengesteld voor consultatie en is hier te vinden. Iedereen is van harte uitgenodigd om te reageren, in het speciaal het maatschappelijk middenveld voor de aanpak van discriminatie en alle andere betrokken partijen. De wet zal naar verwachting in 2028 in werking treden.
Eerste aanvullingswet nieuw Wetboek van Strafvordering naar Tweede Kamer
Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid Claudia van Bruggen en minister van Justitie en Veiligheid David van Weel hebben de eerste aanvullingswet voor het nieuwe Wetboek van Strafvordering ingediend bij de Tweede Kamer. Deze wet is de eerste van 2 aanvullingswetten voor het nieuwe Wetboek. De wetten met de 8 boeken van het nieuwe Wetboek van Strafvordering zelf zijn al gepubliceerd in het Staatsblad. Met de aanvullingswetten kunnen hier nog wijzigingen in worden aangebracht vóór de inwerkingtreding. Zo is het nieuwe Wetboek volledig bij de tijd als het in werking treedt per 1 april 2029.
Procesafspraken
Met deze aanvullingswet komt er een wettelijke regeling voor procesafspraken. Bij procesafspraken doen een officier van justitie en een verdachte samen een afdoeningsvoorstel aan de rechter, bijvoorbeeld over de op te leggen straf. De rechter bepaalt of dat voorstel wordt gevolgd. In de praktijk worden procesafspraken al veel toegepast. Met de wet komen er ook begrenzingen. Zo mogen procesafspraken niet gemaakt worden bij ernstige gewelds- en seksuele misdrijven waarop een gevangenisstraf staat van 12 jaar of meer én mag de strafvermindering maximaal een derde zijn ten opzichte van de straf die de rechter overwoog op te leggen als er geen procesafspraken zouden zijn gemaakt.
Buitengerechtelijke afdoening
Deze aanvullingswet maakt het ook mogelijk voor het Openbaar Ministerie om voorwaardelijke straffen op te leggen in een strafbeschikking, dus buiten de rechter om. Door minder zware zaken op deze manier te bestraffen, kan de capaciteit van rechters worden ingezet voor zwaardere zaken. Dit draagt bij aan kortere doorlooptijden in het strafrecht. Ook tegen een strafbeschikking waarin een voorwaardelijke straf wordt opgelegd kan de verdachte in verzet gaan, zodat de zaak alsnog aan de rechter wordt voorgelegd.
Verduidelijking en modernisering
Naast de regels voor procesafspraken en buitengerechtelijke afdoening bevat de aanvullingswet onder meer een nieuwe regeling voor lichaamsonderzoek bij bewusteloze personen. Ook worden bepaalde regels verduidelijkt en gemoderniseerd, bijvoorbeeld over de inzet van deskundigen, het toezicht op bijzondere voorwaarden en de bevoegdheid om heimelijk in te loggen met rechtmatig verkregen gegevens. Tevens worden de regels voor het verwerken van strafvorderlijke gegevens overgenomen uit het huidige wetboek.
Regels voor strafproces
Het Wetboek van Strafvordering bevat de regels waaraan politie, Openbaar Ministerie, rechters en advocaten zich moeten houden in het strafproces. De vernieuwing maakt het wetboek toegerust op nieuwe vormen van criminaliteit zoals cybercrime en ondermijning. Ook wordt het wetboek overzichtelijker en toegankelijker en zijn belangrijke uitspraken van de hoogste rechter erin verwerkt. De vernieuwing maakt het wetboek toekomstbestendig door een duidelijkere positie voor verdachten en slachtoffers maar ook door een actualisering van opsporingsbevoegdheden en de digitalisering van het strafproces. Het nieuwe wetboek is het resultaat van meer dan 10 jaar samenwerking tussen alle betrokken organisaties in de strafrechtketen.
Kabinet wil wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding permanent maken
Het kabinet wil de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding permanent maken. Daarmee heeft de ministerraad ingestemd op voorstel van minister Van Weel van Justitie en Veiligheid. De wet geeft de overheid de bevoegdheid om mensen vrijheidsbeperkende maatregelen op te leggen als zij mogelijk een terroristisch gevaar vormen maar het strafrecht geen of nog geen mogelijkheden biedt. Zonder aanpassing vervalt de huidige wet op 1 maart 2027.
Veiligheid voorop
Minister Van Weel: “Als minister van Justitie en Veiligheid staat voor mij de veiligheid in onze samenleving altijd voorop. Terrorisme is een aanval op onze vrijheid en veiligheid. Met het permanent maken van deze wet zorgen we ervoor dat de overheid snel, preventief en doelgericht kan ingrijpen wanneer de nationale veiligheid dat vereist.”
De permanente wet
De tijdelijke wet wordt door het kabinet omgezet naar een permanente wet. De wet biedt de mogelijkheid tot het opleggen van een meldplicht, een gebiedsverbod of een contactverbod aan personen met een terroristisch dreigingsprofiel. Het gaat daarbij om personen die op grond van hun gedragingen in verband kunnen worden gebracht met terroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan. Daarnaast kan een uitreisverbod worden opgelegd, waarmee iemand wordt verboden het Schengengebied te verlaten indien het vermoeden bestaat dat deze zich als doel heeft zich aan te sluiten bij een terroristische organisatie. De wet kent een wijziging ten opzichte van de tijdelijke wet; het kabinet heeft namelijk besloten de maatregel om subsidies en vergunningen in te trekken te laten vervallen, aangezien deze sinds de invoering nooit is ingezet.
Advies van de Raad van State
Het tijdelijk beperken van iemands vrijheid zonder voorafgaande veroordeling is een ingrijpende maatregel. De Raad van State plaatste daarom kanttekeningen bij de noodzaak van het voorstel. Het kabinet erkent dit, maar kiest er bewust voor de wet permanent te maken. De lat voor het opleggen van een maatregel ligt hoog en wordt om die reden dan ook niet vaak ingezet. Daarbij blijft de terroristische dreiging onverminderd aanwezig. Het kabinet acht het dan ook essentieel dat de minister van Justitie en Veiligheid dit instrument kan inzetten indien dit noodzakelijk is voor de bescherming van de nationale veiligheid. Het wetsvoorstel wordt nu ingediend bij de Tweede Kamer.
Staatscommissie overheidsingrijpen in gezinnen van start
Met ingang van 1 april 2026 start de staatscommissie overheidsingrijpen in gezinnen waar sprake is van kindermishandeling en/of ontwikkelingsbedreiging. De staatscommissie zal de regering adviseren over de vraag wanneer de overheid moet ingrijpen en betrokken moet zijn, wanneer de overheid mag ingrijpen, maar ook wanneer de overheid niet mag ingrijpen en welke voorwaarden en (rechts)bescherming van toepassing zijn voor deze gezinnen. Daarnaast kijkt de commissie of er alternatieve vormen van betrokkenheid of ingrijpen door de overheid mogelijk zijn.
Naast de staatscommissie werken Rijk, gemeenten, professionals en aanbieders aan het verbeteren van jeugdzorg met de Hervormingsagenda Jeugd en het Toekomstscenario Kind- en gezinsbescherming. De staatscommissie wordt uitgenodigd in haar advies ondersteunend te zijn aan de lopende ontwikkelingen binnen het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming.
Aanleiding staatscommissie
Uit het rapport van de Commissie toeslagen en uithuisplaatsingen bleek dat de onterechte terugvorderingen vanuit de toeslagenaffaire een grote rol hebben gespeeld bij problemen van de gezinnen en daarmee ook bij de uithuisplaatsingen van de kinderen. Tijdens het debat over dit rapport heeft de Tweede Kamer met een motie de regering verzocht een staatscommissie in te stellen. Het kabinet geeft met de start van deze staatscommissie uitvoering aan deze motie.
Onveiligheid of ontwikkelingsbedreiging
Ook is er steeds meer juridische en wetenschappelijke kritiek op de manier waarop de overheid ingrijpt in gezinnen waar sprake is van onveiligheid en/of ontwikkelingsbedreiging bij kinderen. Met name als vervolgens onvoldoende passende bescherming en hulp kan worden ingezet. De impact van overheidsingrijpen bij een gezin kan heel groot zijn, daarom is het goed hier zorgvuldig en kritisch naar te kijken.
Wetsvoorstel afpakken crimineel geld naar Raad van State
Het wetsvoorstel tot implementatie van de Confiscatierichtlijn maakt het mogelijk om waardevolle spullen en vermogen met een criminele herkomst sneller en effectiever af te pakken. Dit kan nu nog alleen na een veroordeling van een verdachte, maar dit wordt straks ook mogelijk zonder dat een verdachte is veroordeeld voor een misdrijf of zonder dat een verdachte in beeld is. De reacties op de consultatie van het wetsvoorstel zijn verwerkt. De ministerraad heeft besloten het wetsvoorstel tot implementatie van de Confiscatierichtlijn voor advies naar de Raad van State te sturen.
Minister Van Weel van Justitie en Veiligheid: ‘Wat hierbij echt verschil kan gaan maken is dat de bal meer bij de belanghebbenden komt te liggen: je moet gewoon een goed verhaal hebben hoe je aan je dure spullen komt. Als het Openbaar Ministerie kan onderbouwen dat die dure auto betaald is met crimineel geld, is het aan jou om het tegendeel te bewijzen. Of om uit te leggen waar die lading contant geld in je woning vandaan komt. Hierdoor kan effectiever worden afgepakt. Niet meer de persoon, maar het geld en de goederen staan centraal. Dit is een mooie volgende stap tegen de ondermijnende criminaliteit in Nederland.’
In 2024 zijn er in Europees verband afspraken gemaakt over het effectiever afpakken van crimineel vermogen. Om aan deze afspraken te kunnen voldoen, wordt de wet in Nederland nu ook aangepast. Met eenzelfde strafrechtelijke procedure binnen Europa kan bovendien beter met andere EU-lidstaten worden samengewerkt. Daarnaast gaan de nationale bureaus voor de ontneming van vermogens van de lidstaten nauwer samenwerken en kunnen inbeslaggenomen voorwerpen straks in meer gevallen worden verkocht voordat een strafzaak is afgelopen. Dat verhoogt de opbrengsten en beperkt opslagruimte en opslagkosten.
Nieuw wetsvoorstel en alternatieve huisvesting statushouders
Het kabinet werkt aan een nieuw wetsvoorstel dat de positie van statushouders op de sociale huurmarkt gelijkstelt aan overige woningzoekenden. Verder maakt het kabinet met gemeenten en andere betrokken partijen in een convenant afspraken over het snel ontwikkelen van flexibele woonlocaties voor statushouders, als alternatief voor het gebruik van sociale huurwoningen. Zodra deze alternatieve huisvesting er in voldoende mate is, zal voorrang voor statushouders in sociale huurwoningen niet langer wettelijk mogelijk zijn, zoals is afgesproken in het coalitieakkoord. Minister Elanor Boekholt-O’Sullivan (Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening) heeft de Tweede Kamer hier vandaag over geïnformeerd.
Dit betekent dat het kabinet het wetsvoorstel intrekt dat door het vorige kabinet naar de Tweede Kamer werd gestuurd over het schrappen van voorrang voor statushouders. Het kabinet werkt een nieuw, uitvoerbaar wetsvoorstel uit in samenwerking met gemeenten en andere maatschappelijke partners. Hierbij wordt tegemoetgekomen aan de reacties van de Raad van State, gemeenten en andere betrokken partijen over de uitvoerbaarheid van het eerdere wetsvoorstel voor een verbod op voorrang voor statushouders. Het kabinet wil hiermee de druk op de sociale woningvoorraad verminderen, met alternatieven voor statushouders en voldoende uitstroom uit de asielopvang.
Wachtlijst
“Voorrang voor statushouders bij sociale huur knelt steeds meer, omdat andere woningzoekenden te lang op een wachtlijst staan”, zegt minister Boekholt-O’Sullivan. “Daarom wil ik ervoor zorgen dat woningzoekenden meer kans krijgen op een sociale huurwoning en tegelijkertijd zorgen voor alternatieve huisvesting voor statushouders. Mijn doel is om een nieuw, uitvoerbaar wetsvoorstel te maken en snel alternatieve huisvesting te realiseren waar statushouders, Oekraïners en andere woningzoekenden terechtkunnen.”
Aanjaagteam
Minister Boekholt-O’Sullivan wil succesvolle initiatieven in het land opschalen. Zo zijn verschillende gemeenten al aan de slag met alternatieve huisvesting, zoals flexwoningen. Ook woningdelen kan een oplossing zijn. Hierdoor zijn minder woningen nodig voor huisvesting van statushouders, wat de wachttijd voor sociale huurwoningen vermindert. De minister heeft een aanjaagteam aangesteld dat deze goede voorbeelden in kaart brengt en gemeenten helpt als de huisvesting nog moeizaam verloopt.
Convenant
Doel is om voor de zomer een concept convenant met afspraken te hebben. De wettelijke verankering van deze afspraken volgt in het wetsvoorstel. Het vervangende wetsvoorstel zal dit jaar nog in internetconsultatie gaan.
Kabinet zet in op verder opschalen van aanvullende schaderoutes
De 1e groep gedupeerde ouders met aanvullende schade heeft de nieuwe MijnHerstel route doorlopen. Sinds de start van MijnHerstel afgelopen december hebben ruim 1000 ouders ervoor gekozen hun aanvullende schade vergoed te krijgen via deze route. Inmiddels hebben ruim 50 ouders hun aanvraag afgerond. De komende tijd zet het kabinet in op het verder opschalen en verbeteren van de aanvullende schaderoutes.
Alle ouders in de toeslagenaffaire hebben inmiddels de uitkomst van hun integrale beoordeling ontvangen. Voor een groot deel van de ouders is daarmee het financiële herstel afgerond. Gemiddeld hebben de ouders ruim € 40.000 na de integrale beoordeling ontvangen. Ouders die meer schade hebben geleden dan tot nu toe vergoed, bijvoorbeeld door het verlies van een huis of een baan, kunnen gebruik maken van 2 routes voor aanvullende schade: MijnHerstel of de schaderoute van de Stichting Gelijkwaardig Herstel (SGH). Beide routes gaan uit van hetzelfde schadekader en worden afgesloten met een vaststellingsovereenkomst.
MijnHerstel
In MijnHerstel kunnen ouders, bij voorkeur met hulp van een advocaat of vertrouwenspersoon, een vergoeding voor aanvullende schade aanvragen. Zij kunnen de route op eigen tempo doorlopen en krijgen daarbij zowel persoonlijke als digitale ondersteuning. Sinds de start van de route zijn verschillende aanpassingen doorgevoerd om de gebruiksvriendelijkheid te verbeteren. Ook kunnen ouders sinds vorige maand via ouderorganisaties extra begeleiding krijgen van ervaringsdeskundigen en zij kunnen de route afronden met een herstelgesprek.
Aanmelden
Tot nu toe hebben ongeveer 19.000 ouders een aanvraag voor aanvullende schade ingediend, waarvan inmiddels 3300 ouders zijn gecompenseerd. Ouders kunnen zich tot en met 31 maart 2026 aanmelden voor aanvullende schade op het informatie- en aanmeldportaal. Zij hebben vervolgens nog 6 maanden de tijd om een keuze te maken tussen de SGH-route en MijnHerstel. De aanmeldtermijn geldt niet voor ouders die na 1 oktober 2025 hun integrale beoordeling hebben ontvangen of waarvan een beroep- of bezwaarbehandeling nog loopt. Nadat hun integrale beoordeling helemaal is afgerond hebben zij nog een half jaar de tijd om eventueel aanvullende schadevergoeding aan te vragen. Voor mensen in de wachtrij bij CWS geldt dat zij al zijn aangemeld. Voor ouders die zich bij SGH hebben gemeld zijn aanvullende afspraken gemaakt.
Individuele berekening
In een beperkt aantal gevallen sluit het forfaitaire kader mogelijk niet aan bij de situatie van een ouder. Dan gaat het om situaties waarbij aannemelijk kan worden gemaakt dat als gevolg van de terugvordering sprake is van hoge medische kosten of structureel inkomensverlies door bijvoorbeeld ziekte of beëindiging van een bedrijf. In die gevallen kan een ouder na het doorlopen van MijnHerstel of de SGH route vragen om een individuele berekening van de schade. Omdat bij de individuele berekening preciezer wordt gekeken naar de hoogte van schade en de causaliteit kan de uitkomst ook lager zijn dan de vergoeding via de MijnHerstel of SGH.
Commissie Werkelijk schade
Op dit moment staan nog ongeveer 9000 ouders in de wachtrij bij de commissie Werkelijke Schade (CWS). Omdat het nog 15 jaar zou duren voordat deze ouders geholpen worden, zijn zij gevraagd om een keuze te maken voor de route van SGH of MijnHerstel zodat ze sneller kunnen worden geholpen. Ouders die al in behandeling zijn bij CWS kunnen als zij dat willen de afhandeling van hun schade bij CWS afronden.
Financieel herstel
Ouders konden zich tot eind 2023 aanmelden voor de hersteloperatie kinderopvangtoeslag. In totaal hebben zich 69.000 mensen gemeld, waarvan ruim 43.000 mensen zijn erkend als gedupeerde. Op dit moment hebben alle gedupeerde ouders een integrale beoordeling gehad. Dat betekent dat zij financieel gecompenseerd zijn voor onterechte terugvorderingen en dat zij een materiele en immateriële schadevergoeding hebben ontvangen. Ook zijn hun publieke schulden kwijtgescholden en private schulden aangepakt. Daarnaast kunnen ouders bij hun gemeente terecht voor brede ondersteuning. Er zijn, samen met ouders, al meer dan 20.000 plannen van aanpak opgesteld.



