Wetsvoorstel Wet verbetering kroongetuigenregeling naar Raad van State

De ministerraad heeft op voorstel van minister Van Weel van Justitie en Veiligheid besloten het wetsvoorstel verbetering kroongetuigenregeling voor advies naar de Raad van State te sturen. De consultatie van het wetsvoorstel heeft enkele reacties van betrokken partners opgeleverd. Deze reacties zijn nu verwerkt. De regeling wordt verbreed en daarmee aantrekkelijker gemaakt voor verdachten van minder zware misdaden zodat zij makkelijker waardevolle informatie kunnen leveren over degenen die achter de schermen een grote rol vervullen. Hierdoor wordt het makkelijker om zware criminelen te vervolgen.

Minister Van Weel: ‘De kroongetuigenregeling was tot nu toe vooral aantrekkelijk voor zware criminelen. Maar in hun netwerk zitten ook genoeg kleinere criminelen die als kroongetuigen veel informatie kunnen geven over de grote jongens. Daarom verbreden we de regeling: met behulp van kleinere criminelen pakken we de grote straks sneller aan.’

De kroongetuige is een getuige die zelf verdachte of veroordeelde is. De kroongetuige kan op verzoek van de officier van justitie een verlaagde straf krijgen als hij verklaart over andere daders. Op dit moment kan de straf van een kroongetuige maximaal worden gehalveerd. Als de strafeis normaal gesproken maximaal zes jaar onvoorwaardelijk gevangenisstraf zou zijn, komen deze verdachten straks in aanmerking voor een hogere strafkorting als zij kroongetuige worden. De straf kan dan volledig worden omgezet in een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Naar verwachting kan het wetsvoorstel deze zomer bij de Tweede Kamer worden ingediend. Het wetsvoorstel regelt bovendien dat in het Wetboek van Strafvordering de bijzondere zorgplicht van de Staat wordt vastgelegd. Deze zorgplicht wordt uitgewerkt in het nieuwe Besluit getuigenbescherming. Het herziene Besluit zal in een later stadium naar de Raad van State worden gezonden voor advies, nadat het wetsvoorstel is aangenomen in de Tweede Kamer.


Selectieve woningtoewijzing verlengd en uitgebreid in kwetsbare wijken Zaanstad

Minister Boekholt-O’Sullivan van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) geeft de gemeente Zaanstad de komende 4 jaar toestemming om in 5 aangewezen wijken selectieve woningtoewijzing toe te passen. Dit gebeurt op grond van de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek (Wbmgp). In deze gebieden komen veel problemen op het gebied van wonen, leefomgeving, werkloosheid, armoede, gezondheid, onderwijs, veiligheid, georganiseerde en ondermijnende criminaliteit samen. Met deze wet kan een gemeente sturen op wie er in de aangewezen wijken kan komen wonen.

Zaanstad past de Wbmgp sinds 2018 actief toe in Poelenburg en Peldersveld. Dit gebied wordt uitgebreid met Kogerveldwijk, Rosmolenwijk, Hoornseveld en Zaandam-Zuid. Deze wijken zijn onderdeel van het Pact Zaandam Oost, een van de 20 gebieden van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid. De gemeente kan de instroom van woningzoekende huurders in een zwakke sociaaleconomische positie beperken. Daarnaast kunnen woningzoekenden met overlastgevend of crimineel gedrag worden geweerd in dit gebied.

Veilige en leefbare wijk

Minister Boekholt-O’Sullivan: “In ons land verdient iedereen het om in een veilige en leefbare wijk te wonen. In Zaandam-Oost voelen bewoners zich minder veilig dan in andere delen van de stad. Daarom is het goed dat de gemeente grip krijgt op wie er in die wijken mag komen wonen. Zo ontstaan er wijken waarin inwoners zich weer veilig en thuis kunnen voelen.”

Uitbreiden met (delen van) kwetsbare wijken

De inzet van de Wbmgp in Poelenburg en Peldersveld blijft op langere termijn nodig, blijkt uit een Zaanse evaluatie die voorafgaand aan de verlenging is uitgevoerd. Ook is uitbreiding met meer (delen van) wijken nodig om de ernstige leefbaarheidsproblematiek aan te pakken. Er staan relatief goedkope woningen in deze wijken die kwetsbare huurders aantrekken, terwijl meer draagkrachtige bewoners vertrekken. Tegelijk groeit het aantal arbeidsmigranten uit Oost-Europa wat extra druk legt op onderwijs, zorg en leefbaarheid. Toepassing van de Wbmgp stelt de gemeente en betrokken partners beter in staat om te investeren in gemengde wijken en perspectief te bieden aan de huidige bewoners.

Ondermijnende criminaliteit

Uit de cijfers blijkt dat in Zaandam-Oost minder mensen zich veilig voelen in hun buurt dan gemiddeld in Zaanstad. In Poelenburg is dit het laagst, namelijk 52%, oplopend tot 67% in Rosmolenwijk. In heel Zaanstad voelt 77% zich veilig. Ook is het aantal high impact-crimes in Zaandam-Oost groter dan in andere delen van Zaanstad. Jongeren in deze wijken hebben een hoger risico om in de drugscriminaliteit te belanden. Bijna de helft van de als hoog ingeschatte risicojongeren in Zaanstad woont in Zaandam-Oost (47%).

Weren van personen met overlastgevend en crimineel gedrag

Wethouder Wonen en Gebiedsontwikkeling Harrie van der Laan van de gemeente Zaanstad: “Wij zijn erg blij met deze uitbreiding van woningtoewijzing in Zaandam-Oost. We kunnen nu veel gerichter sturen op de instroom van mensen in deze wijken. Zo kunnen we bijvoorbeeld woningzoekenden met overlastgevend of crimineel gedrag weren. Dit helpt om het leefgenot en de leefbaarheid in deze buurten verder te verbeteren.” 


Extra toezicht in Emmen om overlast door asielzoekers aan te pakken

De minister van Asiel en Migratie stelt extra middelen beschikbaar voor de versterking van toezicht en handhaving in de gemeente Emmen om overlast door asielzoekers tegen te gaan en bij te dragen aan een veilige en leefbare omgeving.

Aanleiding voor de extra inzet is de verhoogde handhavingsdruk in Emmen, mede door de nabijheid van het aanmeldcentrum in Ter Apel. De aanvullende middelen maken het mogelijk om de handhaving verder te versterken. Zo worden 6 extra buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s), een teamleider en 8 toezichthouders ingezet.

Minister Van den Brink: “Asielzoekers die overlast veroorzaken zijn zeer hinderlijk voor de gemeenschap. De gemeente Emmen heeft al langere tijd last van ongeregeldheden en dat is onverteerbaar voor bewoners. We ondersteunen de gemeente nu met extra toezicht en handhaving, zodat sneller kan worden opgetreden tegen overlast.”

Versterking toezicht en handhaving

De extra inzet bestaat uit 6 boa’s en een teamleider die zich richten op handhaving in het centrum van Emmen, het stationsgebied en in Nieuw-Weerdinge. Daarnaast worden 8 toezichthouders ingezet via straattoezichtteams. Deze teams zorgen voor extra zichtbaarheid op straat en kunnen bijdragen aan het voorkomen en aanpakken van overlast.

Organisatie en aansturing

De organisatie en aansturing van deze inzet ligt bij de gemeente Emmen. Ook kan de gemeente, net als nu, particuliere beveiliging blijven inzetten op locaties waar dat nodig is. De extra middelen worden voor een periode van 1 jaar verstrekt. Na 8 maanden vindt een evaluatie plaats om te bezien of bijsturing nodig is.


Minder jongeren in jeugdzorg: staatssecretaris Tielen (Jeugd) zet in op hulp dichtbij gezin

Te veel jongeren en hun gezinnen vragen om (professionele) jeugdzorg. Dat zet het stelsel onder druk en biedt niet iedere jongere passende hulp. Staatssecretaris Tielen (Jeugd) werkt aan een cultuuromslag: minder problematiseren, hulp dichter bij gezinnen en specialistische jeugdzorg alleen inzetten als dat echt nodig en effectief is. Daarom komt het kabinet met het wetsvoorstel Reikwijdte. De belangrijkste maatregel is de verplichting voor gemeenten om met een lokaal team hulp te bieden aan jongeren en gezinnen. De afgelopen periode zijn samen met gemeenten en andere betrokken partijen belangrijke stappen gezet in de uitwerking. Het wetsvoorstel maakt deel uit van een breed pakket aan (lopende) maatregelen uit de Hervormingsagenda Jeugd van Rijk, gemeenten, professionals, jongeren en aanbieders.

Staatssecretaris Tielen (Jeugd, Preventie en Sport): “De ambitie is dat in 2028 niet meer één op de zeven, maar maximaal één op de tien jongeren gebruikmaakt van jeugdzorg. Daar is een cultuuromslag voor nodig waarbij we problemen zo dicht mogelijk bij jongeren en gezinnen oplossen en specialistische jeugdzorg alleen inzetten als dat echt nodig is en een oplossing kan bieden. Zo krijgen jongeren sneller passende hulp, gemeenten meer grip en wordt de jeugdzorg beter houdbaar voor de toekomst”.

Lokale teams die jongeren passend hulp bieden

Door problemen eerder aan te pakken, kan vaak specialistische jeugdzorg worden voorkomen. Daarom moet deze hulp aanwezig zijn in de buurt van jongeren en hun gezin. Het wetsvoorstel regelt dat iedere gemeente een lokaal team heeft waar inwoners op een laagdrempelige manier terecht kunnen, bijvoorbeeld op school of in de wijk. Dit team is het eerste aanspreekpunt voor jongeren en gezinnen, bijvoorbeeld voor vragen over de opvoeding en kan zelf hulp en ondersteuning bieden. Ook wordt onderzocht hoe de positie van deze teams, ten opzichte van andere verwijzers, versterkt kan worden bij het doorverwijzen naar jeugdzorg. Zo krijgen gemeenten meer grip op de instroom.

Passende hulp en betere samenwerking 

Contact met leeftijdsgenoten die hetzelfde meemaken, verkleint eenzaamheid, vergroot het netwerk en daarmee de steun in de omgeving van jongeren. Dit heeft een positief effect. Daarom wordt wettelijk vastgelegd dat hulp in groepsverband voorrang heeft op individuele hulp, tenzij individuele hulp aantoonbaar effectiever of passender is.

Brede blik

Daarnaast wordt nog te vaak jeugdzorg aangeboden terwijl dit (de oorzaak van) het probleem niet aanpakt en het jongeren daardoor ook niet helpt. Het lokale team moet met een brede blik kijken wat er precies aan de hand is en ouders stimuleren onderliggende problemen aan te pakken. Het team werkt, waar nodig, samen met andere domeinen, zoals onderwijs en schuldhulpverlening.  

Duidelijke afbakening van jeugdzorg

Het aantal vormen van hulp dat wordt geboden is de afgelopen jaren fors toegenomen. Daarom zijn duidelijke keuzes nodig. Het wordt mogelijk om wettelijk vast te leggen welke vormen van hulp niet onder de Jeugdwet vallen, bijvoorbeeld omdat zij niet effectief of zelfs schadelijk zijn. Ook worden afspraken verplicht over de duur, intensiteit en kosten van aanvullende jeugdzorg.


Kabinet maakt Nationale Dementiestrategie toekomstbestendig

Nederlanders worden steeds ouder en het aantal mensen met dementie neemt snel toe. In 2050 gaat het naar verwachting om ruim 610.000 mensen. Daarom is het belangrijk dat het kabinet blijft investeren in onderzoek naar de ziekte, goede ondersteuning en zorg, en een dementievriendelijke samenleving. Vanuit die noodzaak is de Nationale Dementiestrategie herzien en vernieuwd. Voor de uitvoering van de strategie is tussen 2026-2030 geld gereserveerd. In 2026 is dat € 23 miljoen.

Staatssecretaris Pouw-Verweij (Langdurige en Maatschappelijke Zorg): “Dementie heeft grote gevolgen voor het dagelijks leven van mensen: herinneringen vervagen, dingen die vanzelfsprekend waren worden lastig en de afhankelijkheid van anderen neemt toe. Toch stopt je leven niet als je de diagnose dementie krijgt. Veel mensen willen en kunnen nog midden in de maatschappij staan en betekenisvol meedoen. Die ruimte moeten we hen als maatschappij bieden. Ik ben blij dat het gelukt is om daar oog voor te hebben bij het actualiseren van de strategie.”

Stappen gezet

Met de uitvoering van de Nationale Dementiestrategie (2021-2030) is er de afgelopen jaren al veel bereikt. Er zijn stappen gezet om de samenleving dementievriendelijker te maken, om wetenschappelijk onderzoek naar dementie een impuls te geven en om zorg en ondersteuning beter op elkaar af te stemmen. Om de dementiestrategie toekomstbestendig te maken, is deze nu geactualiseerd en is er voor de komende 5 jaar geld beschikbaar gesteld in het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg (HLO). De stem van mensen met dementie en hun naasten blijft onmisbaar. Daarom zijn zij betrokken bij de vernieuwing van de strategie en komt er een klankbordgroep waarin zij hun ervaringen en ideeën kunnen delen over de uitvoering. Ook gaan organisaties meer bestuurlijk samenwerken om de komende jaren extra stappen te zetten op onderstaande acties.

Preventieonderzoek en aandacht voor beeldvorming

De komende jaren wordt er geïnvesteerd in wetenschappelijk onderzoek naar oorzaken, preventie, (vroeg)diagnostiek en behandeling van symptomen van dementie. Omdat onderzoek steeds duidelijker laat zien dat preventie kan bijdragen aan het voorkomen of uitstellen van dementie, wordt hier extra geld voor vrijgemaakt. Er wordt extra aandacht besteed aan het feit dat mensen met dementie meer zijn dan hun diagnose en een betekenisvolle bijdrage kunnen leveren aan de maatschappij.

Ondersteuning en zorg

Tot slot wordt ingezet op betere ondersteuning en zorg voor mensen met dementie, met specifieke aandacht voor jonge mensen met dementie, mensen met onbegrepen gedrag en mensen met een andere culturele achtergrond. Hiervoor wordt onder meer een basisfunctionaliteit dementie ontwikkeld, zoals is afgesproken in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) en wordt de Zorgstandaard Dementie geactualiseerd. Onderdeel daarvan is toekomstbestendig casemanagement, waarbij casemanagers al in de ‘niet-pluisfase’ ondersteuning en begeleiding bieden aan mensen met dementie en hun naasten.

Samenwerking

Bij de uitvoering van de Nationale Dementiestrategie wordt samengewerkt door de volgende organisaties:

  • Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG)
  • Zorgverzekeraars Nederland (ZN)
  • Alzheimer Nederland
  • ActiZ
  • GGD GHOR Nederland
  • Sociaal Werk Nederland
  • Dementie Netwerk Nederland (DNN)
  • Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland (V&VN) 
  • Verenso en de Beroepsvereniging van Professionals in Sociaal Werk (BPSW)
  • ZonMw, Zorgstandaard Dementie en het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)

€ 10 miljoen voor geldlessen op basis- en middelbare scholen en mbo’s

Om jongeren te leren omgaan met geld kunnen schoolbesturen vanaf vandaag subsidie aanvragen. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stelt € 10 miljoen beschikbaar voor onder meer geldlessen, financiële steunpunten voor leerlingen of hulp bij de financiële opvoeding.

Staatssecretaris Jurgen Nobel: “Jongeren worden met achteraf betalen steeds vaker verleid om geld uit te geven dat ze niet hebben. Met goede financiële lessen leer je bewuster omgaan met geld en schulden voorkomen. Kinderen ontwikkelen al op jonge leeftijd gewoontes die de basis leggen voor hun verdere leven, ook financieel. Het is dus echt: jong geleerd, oud gedaan.”

Moeite met rondkomen

Uit cijfers van het Nibud over 2024 blijkt dat 40% van de 18- tot 30-jarigen moeite heeft met rondkomen. 3% van de jongeren tussen 16 en 25 jaar heeft problematische schulden, wijzen cijfers van het CBS uit. Van de jongvolwassenen geldt dat zelfs voor ruim 20%.

Risico op betalingsachterstanden

Met de opkomst van digitale ontwikkelingen, zoals achteraf betalen, groeit het risico op betalingsachterstanden. In 2023 deden minderjarigen 600.000 ‘Buy now, Pay later’-transacties. Een deel daarvan kreeg te maken met aanmaningskosten of een incassobureau.

Subsidie aanvragen

Met de subsidie kunnen scholen hun leerlingen en studenten klaarstomen om verstandig om te gaan met geld. Het is de 4e keer dat scholen de subsidie kunnen aanvragen. In de afgelopen 3 jaar kregen ruim 200 schoolbesturen een bedrag toegekend.

Financiële educatie

Scholen gebruiken het geld om financiële educatie binnen bestaande vakken, zoals rekenen of economie, een plek te geven. In het voortgezet onderwijs en mbo is er hulp voor leerlingen en studenten, bijvoorbeeld bij het aanvragen van toeslagen als ze 18 worden. En op andere scholen kunnen scholieren financieel advies krijgen op speciale spreekuren. Diverse basisscholen ondersteunen ouders bij de financiële opvoeding van hun kinderen, bijvoorbeeld met workshops.


Taskforce: “Kom actiever op voor de Joodse gemeenschap”

Veel Joodse studenten en medewerkers ervaren – ondanks inspanningen na oktober 2023 – nog steeds onveiligheid in het hoger onderwijs. Op treinstations leiden de protesten – in mindere mate – tot algemene veiligheidsproblemen. Tot die conclusies komt de Taskforce Antisemitismebestrijding in haar rapport ‘Gevangen in Vrijheden’ met daarin 11 voorstellen om de veiligheid te verhogen.

Jaap Smit, voorzitter van de Taskforce: “Het recht om te demonstreren is een groot goed, ook tegen het beleid van Israël. Dit mag echter niet ten koste gaan van onze algemene veiligheid en die van de Joodse gemeenschap in het bijzonder. Hier was te weinig oog voor. Wanneer de sociale en fysieke veiligheid in het gedrang komen en juridische en maatschappelijke grenzen overschreden worden dan dient adequaat opgetreden te worden binnen de grenzen van de wet.”

Opdracht Taskforce

De Taskforce Antisemitismebestrijding, bestaande uit 10 leden, is ingesteld door het kabinet. Met de opdracht om te komen met voorstellen gericht op de veiligheid van Joodse studenten in het hoger onderwijs en de algemene veiligheid op stations rondom sit-in demonstraties. Hiervoor zijn de gebeurtenissen op die locaties vanaf oktober 2023 geanalyseerd en ondernomen maatregelen in kaart gebracht. De Taskforce sprak hiervoor met meer dan 120 betrokkenen, waaronder actievoerders, experts, ervaringsdeskundigen en bestuurders.

Sociale veiligheid in het hoger onderwijs niet afdoende

De Taskforce constateert dat de sociale veiligheid voor Joden in het hoger onderwijs – ondanks inspanningen – nog niet op afdoende niveau is. Hoewel het merendeel van de protestactiviteiten vreedzaam verloopt, hebben Joodse studenten en medewerkers veelvuldig te maken met incidenten, pesterijen en intimidaties. Een deel van hen verstopt de Joodse identiteit of blijft weg van de campus. Ook andere studenten en medewerkers komen in de knel en onderwijsactiviteiten worden belemmerd.

Complexe dilemma’s

In deze gepolariseerde tijd heeft de Taskforce waardering voor bestuurders en veiligheidsfunctionarissen. Dagelijks staan zij – met risico’s voor hun eigen veiligheid – voor complexe dilemma’s. Bijvoorbeeld, wat te doen bij een langdurige bezetting? Als je ingrijpt, gooi je dan olie op het vuur, of blus je sneller de brand?

Handelingsmogelijkheden

De Taskforce constateert dat er binnen de wet meer handelingsmogelijkheden zijn dan in eerste instantie werd gedacht. Hier vallen lessen uit te trekken. Zo kunnen kwetsende teksten sneller worden verwijderd. Daarnaast beveelt de Taskforce aan om actiever te handhaven bij grensoverschrijdend gedrag: treed op en spreek je uit! De Taskforce stelt ook voor om de sociale veiligheid te versterken, bijvoorbeeld door trainingen. De samenwerking tussen hoger onderwijsbestuurders en de lokale driehoek (burgemeester, politie en het Openbaar Ministerie) is cruciaal gebleken. Blijf in die samenwerking investeren, ook in rustigere tijden.

Enkele algemene veiligheidsproblemen op treinstations

Op meer dan 40 treinstations waren in de afgelopen 2 jaar sit-in demonstraties tegen het beleid van de staat Israël. Deze acties – een nieuw fenomeen – leiden ondanks hun vreedzame karakter tot enkele algemene veiligheidsproblemen. Zo waren er een aantal maal gelijktijdige sit-in demonstraties op 35 stations en waren er sit-ins met meer dan 1000 deelnemers en veel lawaai (slaan op potten en pannen). Dit zorgt voor risico’s voor de handhavingscapaciteit, voor gezondheid (tijdelijke gehoorschade) en in het geval van een calamiteit. Los van de sit-ins waren er enkele grensoverschrijdende protesten in Den Haag en Amsterdam waarbij demonstranten het spoor betraden met verstoring van de openbare orde. De Taskforce stelt voor dat er binnen het demonstratierecht goede afspraken gemaakt worden tussen de lokale driehoek als bevoegd gezag en de spoorsector (ProRail, NS en andere treinvervoerders) over het ordentelijk laten verlopen van protesten.

Fundamentele discussie over semipublieke locaties als podium voor protest

Demonstranten hebben treinstations en campussen (her)ontdekt als podium. Voor eigenaren en gebruikers van deze semipublieke locaties is het niet altijd duidelijk wat exact de regels zijn. De Taskforce beveelt het kabinet, de VNG en specialisten aan om de fundamentele maatschappelijke discussie hierover te intensiveren. Wat kan waar en wat kan niet, als het gaat om demonstraties op semipublieke locaties, passend binnen de grenzen van het demonstratierecht? Deze aanbeveling moet ook gezien worden in het licht van de bredere verharding van het actieklimaat, zoals bij protesten over stikstof, migratie, corona en klimaat.

Investeer in kennis over het Joodse leven en over antisemitisme

De Taskforce stelt voor om te blijven investeren in de kennis over het Joodse leven en over antisemitisme. Het aantal algemene meldingen en aangiften van antisemitisme bij de politie steeg fors, van 549 in 2022 naar 880 in 2023 en ook in 2024. Bij de protestacties op campussen en treinstations werd zelden strafbaar antisemitisme door het OM gesignaleerd. Wel lijkt er geregeld sprake te zijn van verhuld antisemitisme, met name via antizionistische uitingen die als hondenfluitje kunnen dienen. Naast de aandacht voor de kwetsbare positie van Joden, vragen wij als Taskforce om steun voor bestuurders en veiligheidsfunctionarissen. Zij komen vaak als eerste in de spreekwoordelijke vuurlinie als zij zich uitspreken of optreden tegen antisemitisme.

Samenleving

Jaap Smit: “Joden mogen niet individueel of collectief verantwoordelijk worden gehouden voor de acties van de staat Israël. Daarnaast moeten wij te allen tijde waakzaam zijn voor opkomend antisemitisme als kanarie in de kolenmijn voor verval in onze maatschappij. Als samenleving horen wij ons uit te blijven spreken tegen antisemitisme.”


Nieuwe campagne maakt onzichtbare mantelzorg zichtbaar

Mantelzorgers verdienen het om gezien te worden. Overal in Nederland zorgen mensen – vaak onbetaald en bovenop werk, gezin en andere verplichtingen – voor een familielid, vriend of buur. Hun inzet blijft vaak onzichtbaar, terwijl zij met hun zorg de reguliere zorg enorm ontlasten. Met de campagne ‘ZIEN dat zij er voor iemand ZIJN’ vraagt het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en MantelzorgNL aandacht voor deze onmisbare groep.

Staatssecretaris Pouw-Verweij (VWS): “Mantelzorgers zijn van onschatbare waarde. Maar de druk op mantelzorgers neemt toe, daar zijn we ons goed van bewust. Dat vraagt iets van ons als overheid. We moeten overbelasting voorkomen, mantelzorgers zo goed mogelijk ondersteunen en de combinatie met werk makkelijker maken.  Maar ook familieleden, vrienden, werkgever en zorgverleners kunnen onderdeel zijn van het op de been houden van die o zo belangrijke mantelzorger. Waardering, juist uit die hoek, is ontzettend betekenisvol. Dat staat centraal in deze campagne.”

Liefde en betrokkenheid

Mantelzorgers verlenen zorg uit liefde en betrokkenheid, niet omdat het moet. Maar dat betekent niet dat het altijd vanzelf gaat. Mantelzorg komt bovenop andere verantwoordelijkheden en kan fysiek en mentaal zwaar zijn. Toch vragen mantelzorgers zelf niet snel om hulp of waardering. Juist daarom is het zo belangrijk dat hun sociale omgeving laat zien dat ze hen zien, waarderen en steunen.

Waardering

De kernboodschap van de campagne is dat waardering voor mantelzorgers niet groots of ingewikkeld hoeft te zijn. Een beetje steun – praktisch, emotioneel of mentaal – maakt al een wereld van verschil. Denk aan een keer de boodschappen doen, op de kinderen passen, een maaltijd brengen of gewoon een luisterend oor bieden. Met zulke kleine gebaren laat je voelen: jij staat er niet alleen voor.

Echte verhalen van zes mantelzorgers

In de campagne staan 6 mantelzorgers centraal, ieder met een eigen verhaal, vragen en emoties. Zo is er onder andere aandacht voor een alleenstaande moeder die intensieve zorg verleent, een dochter die zorgt voor haar moeder met een vroeg stadium van Alzheimer, een jonge mantelzorger die school combineert met de zorg voor zijn broertje, en een partner die werk en mantelzorg probeert te balanceren. Hun verhalen laten zien hoe divers mantelzorg is – maar ook hoe belangrijk herkenning en waardering zijn. Via onlinevideo, social media en campagnematerialen komen we dicht bij de leefwereld van mantelzorgers én hun omgeving. Zo nodigen we mensen uit om stil te staan bij wie er in hun buurt, familie of vriendenkring voor iemand zorgt – en wat zij zelf kunnen doen.

‘ZIEN dat zij er voor iemand ZIJN’

Met ‘ZIEN dat zij er voor iemand ZIJN’ wil het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport dat mantelzorgers zich meer gezien, gesteund en gewaardeerd voelen. De campagne laat zien hoeveel zij betekenen voor de mensen voor wie ze zorgen én voor de samenleving als geheel. De oproep aan iedereen is: kijk om je heen, herken mantelzorgers in jouw omgeving en laat merken dat je ziet wat zij doen.

Toolkit voor organisaties en professionals

Betrokken stakeholders, organisaties, gemeenten en professionals die de boodschap van de campagne willen uitdragen, kunnen gebruikmaken van een toolkit met communicatiemiddelen. Deze bevat onder andere beeldmateriaal, teksten en verwijzingen naar de verhalen van de 6 mantelzorgers. Zo kan de campagne eenvoudig worden gedeeld via lokale en (online) kanalen. De campagne is een initiatief van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in samenwerking met MantelzorgNL, Alzheimer Nederland, JMZ Pro, Sociaal Werk Nederland, Strategische Alliantie Jonge Mantelzorg, Actiz, Vilans en Zorgverzekeraars Nederland. Noise Amsterdam heeft dit project op basis van een aanbesteding gewonnen, uitgevoerd en blijft voor de jaren 2026 en 2027 als bureau hieraan verbonden.


Alle gedupeerde ouders hebben de integrale beoordeling doorlopen

Alle ouders in de toeslagenaffaire hebben de uitkomst van hun integrale beoordeling ontvangen. Voor een groot deel van de ouders is daarmee het financiële herstel afgerond. Ook de compensatie van aanvullende schade is vereenvoudigd en verbeterd.

Staatssecretaris Palmen van Herstel en Toeslagen: “De afgelopen tijd hebben we duidelijke stappen gezet in de financiële compensatie voor gedupeerde ouders en hun gezinnen. Voor alle ouders is de integrale beoordeling afgerond. Voor een grote groep ouders is daarmee het financieel herstel ook afgerond. Ouders en hun gezinnen hebben daarmee duidelijkheid welke compensatie zij ontvangen. Ook de compensatie van de aanvullende schade is vereenvoudigd en verbeterd. Nu we zijn aangekomen bij de afrondende fase van de hersteloperatie is het belangrijk om te kijken wat er nog nodig is om ook de laatste ouders voorbij het onrecht te helpen.”

Financieel herstel

Ouders konden zich tot eind 2023 aanmelden voor herstel kinderopvangtoeslag. Ongeveer 69.000 mensen hebben zich gemeld. Met een eerste toets en vervolgens integrale beoordeling (IB) kijkt de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) of en in welke mate een ouder gedupeerd is. Ruim 43.000 zijn erkend als gedupeerde. Zij hebben inmiddels alle onterecht ingevorderde kinderopvangtoeslag terug gekregen. Daarnaast krijgen zij ook een materiele en immateriële compensatie. Voor alle gedupeerde ouders is dat tenminste € 30.000, maar kan deze ook meer bedragen. Daarnaast zijn hun schulden aangepakt, krijgen zij gerichte ondersteuning van gemeenten en gratis rechtsbijstand.

Aanvullende schade

In de integrale beoordeling ontvangen ouders als onderdeel van hun financiële compensatie ook een materiële en immateriële schadevergoeding. Deze bedragen zijn echter niet voor alle ouders voldoende om recht te doen aan de schade die zij hebben ondervonden. Het verlies van bijvoorbeeld een baan, een eigen huis, gezondheid of dierbaar bezit proberen we zo rechtvaardig en ruimhartig mogelijk te compenseren via een van de beschikbare schadeherstelroutes. Vergoeding van hun aanvullende schade vormt voor een aantal gedupeerde ouders het sluitstuk van de financiële compensatie in de hersteloperatie. Ouders kunnen op het centrale aanmeldportaal een aanvraag doen voor aanvullende compensatie. Daarvoor kunnen zij gebruik maken van de MijnHerstel route of de schaderoute van de Stichting Gelijkwaardig Herstel (SGH). Beide routes gaan uit van hetzelfde schadekader en worden beide afgesloten met een vaststellingsovereenkomst (VSO). In totaal hebben 3348 gedupeerde ouders hun gebleken aanvullende schade inmiddels gecompenseerd gekregen. Hiermee is de verwachting dat veel ouders sneller geholpen kunnen worden met de afronding van hun traject voor financiële compensatie.

Commissie Werkelijke Schade

Ongeveer 9000 ouders hebben zich aangemeld bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS) voor behandeling van compensatie voor aanvullende schade. Om deze ouders te helpen worden zij persoonlijk benaderd om hen te informeren over de mogelijkheden om sneller tot compensatie van hun aanvullende schade te komen. Zij kunnen de route kiezen die het beste bij hen past: via SGH of via MijnHerstel. In beide gevallen krijgt een ouder een forfaitair aanbod en wordt erop ingezet om een VSO te sluiten. Mocht het forfaitaire aanbod niet passend zijn, dan is individuele berekening mogelijk.

Integrale behandeling bezwaar

Op dit moment hebben circa 7400 ouders een bezwaar lopen tegen hun integrale beoordeling (IB). Tot op heden is de hersteloperatie zo ingericht dat ouders voor elk van deze onderwerpen te maken hebben met een ander loket binnen de hersteloperatie. Dat is ingewikkeld voor de ouder en kan in de praktijk ook betekenen dat het afhandelen van aanvullende schade later langer duurt. Sommige ouders willen immers pas de schade-VSO ondertekenen nadat hun IB-bezwaar is afgerond. Om deze bezwaren sneller te behandelen gaan we met de ouder in gesprek om te onderzoeken hoe we het beste tegemoet kunnen komen aan zijn of haar bewaar. Om ouders een integrale oplossing te bieden, wordt er in de MijnHerstel route momenteel gewerkt aan de mogelijkheid om het lopende IB-bezwaar gelijktijdig met de behandeling van aanvullende schade op te lossen. Dit moet ervoor zorgen dat alle bezwaren dit jaar behandeld en afgerond zijn.

Brede ondersteuning

Voor steeds meer ouders is het traject van financiële compensatie inmiddels afgerond. Naast financiële compensatie en ondersteuning bij het oplossen van schulden geven veel gedupeerde ouders aan meer nodig te hebben om verder te kunnen met hun leven. Ouders, hun kinderen, erkend ex-toeslagpartners en nabestaanden kunnen, als zij dat willen, brede ondersteuning door gemeenten ontvangen Het doel hiervan is ouders en kinderen te helpen bij het weer oppakken van hun leven. Om de brede ondersteuning te harmoniseren en verbeteren zijn aanvullende afspraken gemaakt met de VNG en bestuurlijk regisseur. Ouders maken samen met de gemeente een plan van aanpak. Dat zorgt er voor dat voor ouders inzichtelijk is wat zij nodig hebben om voorbij het onrecht te komen en hoe de gemeente hen daarbij kan ondersteunen.


Wetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet in internetconsultatie

Als jongeren en ouders ondersteuning nodig hebben, moeten ze snel passende hulp kunnen krijgen. Daarom krijgen gemeenten de verplichting een lokaal team te organiseren waar zij laagdrempelig terecht kunnen met hulpvragen. Het kabinet brengt daartoe het wetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet in consultatie. Dit voorstel maakt deel uit van een breed pakket aan maatregelen uit de Hervormingsagenda Jeugd van Rijk, gemeenten, professionals, jongeren en aanbieders.

Staatssecretaris Tielen (Jeugd, Preventie en Sport): “Te veel jongeren en gezinnen doen op dit moment een beroep op (professionele) jeugdhulp waardoor jongeren niet altijd de juiste hulp krijgen en het stelsel onder druk staat. Ik werk daarom samen met onder andere gemeenten aan een cultuuromslag: minder problematiseren, ondersteuning dichter bij gezinnen organiseren en specialistische jeugdhulp alleen inzetten wanneer dat echt nodig en effectief is. Zo krijgen jongeren sneller de juiste ondersteuning, krijgen gemeenten meer grip en blijft de jeugdhulp betaalbaar en beschikbaar.”

Noodzakelijke maatregelen

Met het wetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet wordt een aantal noodzakelijke maatregelen genomen zodat jeugdhulp zo passend mogelijk wordt ingezet: licht als het kan, zwaar als het moet. Zo wordt iedere gemeente verplicht om een lokaal team te hebben waar inwoners laagdrempelig terechtkunnen. Dit team is het eerste aanspreekpunt voor jongeren en gezinnen – bijvoorbeeld voor vragen over de opvoeding – en kan zelf hulp en ondersteuning bieden. Dit kan op school zijn of in de wijk. Hulp wordt zoveel mogelijk in groepsverband geboden: dat blijkt goed te passen bij de meeste hulpvragen. Het lokale team kijkt samen met jeugdigen en ouders met een brede blik naar wat er precies aan de hand is. Ook stimuleert het ouders om onderliggende problemen aan te pakken.

Samenwerking

Verder wordt de samenwerking tussen scholen en lokale teams verplicht. Ook werkt het team samen met andere domeinen zoals schuldhulpverlening en huis- en jeugdartsen. De positie van deze teams ten opzichte van andere verwijzers wordt versterkt bij het doorverwijzen naar jeugdhulp. Verder wordt geregeld dat lichte hulp voorliggend is aan zwaardere hulp.

Consultatie

Door middel van internetconsultatie kan iedereen suggesties doen voor verbetering van wetsvoorstellen. Dit vergroot de betrokkenheid van burgers, bedrijven en instellingen bij de totstandkoming van wet- en regelgeving.