Kabinet wijzigt grenscontrole aan de binnengrens

Het kabinet bereidt zich voor op een overstap naar een andere vorm van toezicht aan de binnengrenzen. Dat meldt minister Van den Brink van Asiel en Migratie. Een vernieuwd juridisch kader voor het reguliere toezicht in de grensstreek moet de Koninklijke Marechaussee (KMar) de mogelijkheid geven om effectiever op te treden. Naar verwachting worden de regels direct na de zomervakantie ingevoerd. Ter overbrugging worden de huidige binnengrenscontroles verlengd tot en met uiterlijk 30 september 2026. Hiermee komt het kabinet ook tegemoet aan de geuite zorgen van grensstreekgemeenten, ondernemers en bewoners van de grensstreek.

Meer ruimte en flexibiliteit

De kern van de verandering is dat de KMar meer ruimte en flexibiliteit krijgt binnen het reguliere toezicht in de grensstreek: het zogenoemde Mobiel Toezicht Veiligheid (MTV). De regels die hiervoor gelden worden verruimd. Waar nu nog strikte maxima gelden voor (het aantal) reguliere controles, bieden de nieuwe regels meer mogelijkheden.

Controles

Zo worden de huidige limieten op het aantal controles per modaliteit zoals vliegtuigen, treinen, schepen, bussen en auto’s verhoogd waardoor de KMar flexibeler kan controleren, afhankelijk van de risico’s en informatie. De KMar voert de MTV-controles uit in een gebied tot 20 kilometer van de binnengrenzen.

Tijdelijke binnengrenscontroles

Sinds eind 2024 voert de KMar tijdelijke controles uit aan de grenzen met België en Duitsland vanwege de aanhoudende migratiedruk. In de periode van december 2024 tot en met maart 2026 is tijdens de binnengrenscontroles aan de landsgrenzen met België en Duitsland aan 600 vreemdelingen de toegang tot Nederland geweigerd en zijn 270 personen aangehouden. De aanhoudingen vonden onder andere plaats in het kader van migratiecriminaliteit, zoals documentfraude en mensensmokkel.


Kabinet wil mogelijkheden voor ongewenstverklaring van vreemdelingen uitbreiden

Minister Van den Brink van Asiel en Migratie heeft een nota van wijziging bij de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring ingediend bij de Tweede Kamer. Met de wijziging kunnen vreemdelingen sneller ongewenst worden verklaard. De maatregel is onderdeel van een breder pakket aan wetgeving dat wordt ingezet na het verwerpen van de Asielnoodmaatregelenwet door de Eerste Kamer. 

De ongewenstverklaring is een zware maatregel die kan worden opgelegd aan personen die met het strafrecht in aanraking zijn gekomen en een misdrijf hebben gepleegd of een gevaar vormen voor de openbare orde. Een ongewenstverklaring verplicht de betrokkene om Nederland onmiddellijk te verlaten en verbiedt de terugkeer naar Nederlands grondgebied.

Misdrijf

Verblijf in Nederland na oplegging van een ongewenstverklaring, is een misdrijf. Met de ingediende nota van wijziging beoogt het kabinet dat de ongewenstverklaring vaker kan worden toegepast en overtreding hiervan strenger te bestraffen.

Overlastgevers en misdrijfsplegers steviger aanpakken

Minister Van den Brink: “Het uitbreiden van de ongewenstverklaring is een broodnodige maatregel om overlastgevers en misdrijfplegers steviger aan te pakken en de terugkeer te vergroten. Dit is een belangrijke stap om meer grip op migratie te krijgen.”

De belangrijkste onderdelen van de uitbreiding zijn:

  • Verruiming doelgroep: De ongewenstverklaring kan voortaan ook worden opgelegd aan vreemdelingen die onder de Europese Terugkeerrichtlijn vallen, waaronder asielzoekers.
  • Concentratie van maatregelen: Het wordt juridisch mogelijk om naast een inreisverbod ook een ongewenstverklaring op te leggen. Hiermee krijgt de overheid meer middelen om het vertrek van personen zonder verblijfsstatus af te dwingen.
  • Strafrechtelijke handhaving: Vreemdelingen die ondanks een ongewenstverklaring in Nederland verblijven, zijn strafbaar en kunnen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd krijgen. 

Met deze wetswijziging herstellen we een van de maatregelen die is komen te vervallen na het verwerpen van de asielnoodmaatregelenwet en is noodzakelijk om te zorgen voor meer grip op migratie.


Kabinet wil minimumleeftijd prostitutie verhogen naar 21 jaar en onderzoekt pooierverbod

Het kabinet gaat zich extra inzetten om de kwetsbaren in de prostitutie te beschermen. Daarom wordt de minimumleeftijd voor prostitutie wettelijk verhoogd van 18 naar 21 jaar. Daarnaast wordt onderzocht hoe een zogenoemd pooierverbod juridisch uitgewerkt kan worden. Ook wordt op korte termijn het Wetsvoorstel gemeentelijk toezicht seksbedrijven (Wgts) ingediend. Dit wetsvoorstel regelt dat gemeenten gegevens van sekswerkers kunnen verwerken ten behoeve van de naleving van vergunningsvoorschriften door exploitanten, het toezicht daarop en de handhaving daarvan.

Minister Van Weel van Justitie en Veiligheid: “We hebben in het coalitieakkoord afgesproken dat de kwetsbaren in de sekswerkbranche beter beschermd moeten worden, daarom wil ik nu zo snel mogelijk de leeftijdsgrens verhogen om de jonge sekswerkers beter te beschermen. Daarnaast wil ik ook kijken of we met een pooierverbod malafide faciliteerders kunnen aanpakken, die misbruik maken van kwetsbare, vaak illegaal in Nederland werkende sekswerkers.”

Kabinetsaanpak veilige sekswerkbranche

In de sekswerkbranche zet het kabinet in op 3 onderdelen. Allereerst gaat het om het maken van regels voor een veilige sekswerkbranche. Jonge sekswerkers zijn namelijk extra kwetsbaar voor dwang en uitbuiting. We verhogen daarom de minimumleeftijd voor sekswerk van 18 naar 21 jaar. Daarnaast onderzoeken we een zogeheten pooierverbod.

Toezicht en handhaving

Als tweede zet het kabinet in op het ondersteunen van gemeenten bij toezicht en handhaving. Om gemeenten beter in staat te stellen het toezicht en handhaving op de sector uit te voeren wordt op zeer korte termijn het Wetsvoorstel gemeentelijk toezicht seksbedrijven (Wgts) ingediend bij de Tweede Kamer. Hiermee kunnen gemeenten gegevens van sekswerkers verwerken voor het toezicht op en de handhaving van de sekswerkbranche.

Versterken rechtspositie sekswerkers

En het derde punt is dat het kabinet zich blijft inzetten voor het versterken van de rechtspositie van sekswerkers. We gaan met de betrokken partijen in gesprek hoe hier verder vervolg aan wordt gegeven, waarbij de resultaten van de evaluatie van de Aanpak versterking sociale en juridische positie sekswerkers worden meegenomen.

Verschil maken

Met bovenstaande stappen wordt er dus op verschillende vlakken ingezet op een veilige sekswerkbranche. Dit zijn maatregelen die gericht en effectief een verschil kunnen maken.


Kabinet informeert de Kamer over de aanpak antisemitisme

Antisemitisme is een diepgeworteld probleem in Nederland en neemt toe; het Joods leven staat onder druk. Het kabinet intensiveert daarom de aanpak ter bestrijding van antisemitisme, mede op basis van de aanbevelingen in het eindrapport van de Taskforce Antisemitismebestrijding ‘Gevangen in Vrijheden’. Met de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–2030 is voor de bestrijding van antisemitisme een noodzakelijk fundament gelegd.

De uitvoering van de strategie vindt plaats in nauwe samenwerking tussen de ministeries van Justitie en Veiligheid, Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Volksgezondheid, Welzijn en Sport, evenals met de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding. Het ministerie van Justitie en Veiligheid vervult daarbij een coördinerende rol.

Actualisatie en evaluatie

De strategie wordt jaarlijks geactualiseerd en een evaluatie van deze strategie wordt in 2027 verwacht. Het kabinet spreekt zijn waardering uit voor het werk van de Taskforce en blijft zich onverminderd inzetten voor de strijd tegen antisemitisme. De veiligheid van Joodse mensen gaat het kabinet aan het hart.

Antisemitisme in Nederland

Antisemitisme is in Nederland volop aanwezig en neemt toe. Het afgelopen jaar steeg het aantal geregistreerde incidenten opnieuw: van verbaal geweld en online haatberichten tot fysieke bedreigingen, aanslagen bij een synagoge en een Joodse school. Dit raakt Joodse Nederlanders direct. Zij mijden steeds vaker bepaalde plekken en verbergen hun identiteit. Dit blijkt ook uit het eindrapport van de Taskforce. De Taskforce kreeg de opdracht antisemitisme in Nederland te onderzoeken, waaronder de veiligheid van Joodse studenten in het hoger onderwijs, het weren van antisemitische sprekers op hogescholen en universiteiten en de veiligheidsconsequenties van de sit-ins op de NS-stations.

Aanpak antisemitisme

Het ministerie van Justitie en Veiligheid coördineert de aanpak van antisemitisme in Nederland. In de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–2030 worden door middel van drie pijlers brede maatregelen uitgerold die antisemitisme moeten aanpakken en de gevolgen ervan moeten beperken, waar die voorkomen. De pijlers zien op bescherming en handhaving, onderwijs en preventie, en herdenken en vieren.

Strafbaar

Bepaalde maatregelen uit de strategie zijn in het afgelopen jaar ingevoerd. Zo kan sinds 1 juli 2025 een straf met maximaal een derde worden verhoogd als een strafbaar feit wordt begaan met een antisemitisch motief en is het ontkennen van de Holocaust strafbaar. Verder wordt het Expertisecentrum Aanpak Discriminatie Politie structureel gefinancierd om de politie de juiste handvaten te geven om antisemitisme beter te herkennen en is het ontkennen van de Holocaust sinds 2024 strafbaar. Ook stelt het kabinet middelen beschikbaar voor het beveiligen van instellingen, evenementen en Joodse scholen.

Versterken en zichtbaar maken

De inzet van het kabinet richt zich niet alleen op het bestrijden en handhaven van antisemitisme, maar ook op het versterken, zichtbaar maken en vieren van het Joodse leven in Nederland, onder meer via de ontwikkeling van een Nationaal Plan Joods Leven.

Veiligheid joodse studenten en medewerkers

Het grootste deel van de aanbevelingen van de Taskforce Antisemitismebestrijding is gericht aan hogescholen en universiteiten. Het ministerie van OCW roept de instellingen dan ook op om serieus aan de slag te gaan met die aanbevelingen. En om voor de Joodse minderheid op te komen en op te treden tegen personen of omstandigheden die een onveilige werk- en leeromgeving creëren. Er is ruimte voor verbetering in de afstemming tussen onderwijsinstellingen en de lokale veiligheidsdriehoek bij incidenten en veiligheidskwesties.

Het gesprek

Daarom faciliteert het ministerie het gesprek tussen instellingen, burgemeesters, OM en politie. Daarnaast komt er € 350.000 beschikbaar voor joodse (studenten)initiatieven om de sociale infrastructuur van Joodse studenten en medewerkers te versterken. Dit bedrag bestaat naast het geld dat onderwijsinstellingen al kunnen gebruiken voor de verbetering van sociale veiligheid, waar joodse studenten en medewerkers uiteraard ook onder vallen. Dit gaat om jaarlijks € 4 miljoen (t/m 2031) en een subsidieregeling van jaarlijks € 4,5 miljoen (t/m 2027).

Bewustwording op scholen

Scholen moeten een vrije en veilige plek zijn. Daar leren jongeren respect te hebben voor elkaar, wat je afkomst ook is. Ook leren ze breed over religies, waaronder over het Jodendom, en over de Holocaust. Het kabinet ondersteunt docenten bij het lesgeven, via bijvoorbeeld trainingen over het voeren van schurende gesprekken. Sinds dit jaar is er voor middelbare scholen structureel € 750.000 extra beschikbaar om activiteiten te organiseren over de Holocaust. Hiervan kunnen zij met hun leerlingen bijvoorbeeld musea en voorstellingen bezoeken of gastlessen en workshops in de klas organiseren. Ook voor basisscholen en het speciaal onderwijs wordt een passend aan.


Kabinet neemt maatregelen tegen illegale vapes

Er komen maatregelen om de verkoop en het gebruik van illegale vapes te verminderen. Hierover informeert het kabinet de Tweede Kamer. Met als doel: minder dealers en winkels die illegale vapes verkopen en daarmee minder jongeren die vapen.

Nieuw onderzoek

Nieuw onderzoek concludeert dat 87% van de vapende mensen vapes rookt die onderdeel zijn van de illegale markt. Dit onderzoek naar illegale handelsstromen in vapes is uitgevoerd in opdracht van het vorige kabinet, als onderdeel van het Actieplan tegen vapen. De maatregelen komen bovenop al bestaande wet- en regelgeving, die bijvoorbeeld vapes met smaakjes anders dan tabak of met een te hoog nicotinegehalte verbiedt, net als het verkopen van vapes en tabak in supermarkten en horeca.

Negatieve gevolgen

Minister Hermans van Volksgezondheid, Welzijn en Sport: “Heel veel jongeren vapen en dat heeft enorm negatieve gevolgen voor hun gezondheid. Ik hoor over klaplongen en andere levensgevaarlijke longproblemen. Ook is er steeds meer bewijs over de relatie tussen vapen en kanker. Daarom hebben we bepaalde vapes verboden. Er is echter een grote illegale markt. 87% van de vapende mensen gebruikt verboden vapes, bijvoorbeeld met te veel nicotine of aantrekkelijke fruitsmaakjes, of heeft de vapes gekocht op verboden plekken. De huidige wet- en regelgeving is duidelijk onvoldoende. Daarom ga ik handhaving en toezicht versterken en zorgen dat illegale vapes makkelijker in beslag kunnen worden genomen en de boetes voor dealers en verkopers verhogen. Op die manier zorgen we ervoor dat minder jongeren door te vapen hun gezondheid in gevaar brengen.”

Toezicht versterken en boetes omhoog

De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) houdt toezicht op de illegale markt van vapes. Minister Hermans gaat de handhavingsbevoegdheden versterken, zodat de NVWA sneller en beter kan optreden tegen illegale verkoop van vapes waarmee de pakkans voor dealers wordt vergroot. Nu is alleen het verhandelen van illegale vapes verboden, niet het bezit ervan. Hierdoor kan de NVWA pas illegale vapes in beslag nemen nadat is aangetoond dat ze in de handel worden gebracht. Om ervoor te zorgen dat de NVWA eerder kan ingrijpen, werkt minister Hermans aan een wetswijziging waarbij ook het in voorraad hebben van illegale vapes verboden wordt. Bovendien gaat de minister de maximumboetes verhogen, zodat de boetes de dealers meer afschrikken om illegale vapes te verkopen.

Minder verleiding voor jongeren om te starten met vapen

Minister Hermans vindt dat illegale vapes te makkelijk verkrijgbaar zijn, onder andere via sociale mediaplatforms. Daarom bekijkt de minister hoe de NVWA kan worden versterkt met kennis en bevoegdheden om gerichter op te kunnen treden tegen online verkoop van illegale vapes. Zo worden illegale vapes minder makkelijk verkrijgbaar voor jongeren en hoopt het kabinet dat minder jongeren gaan vapen.

Onderzoeksresultaten

  • 87 % van de vapepopulatie blijkt gebruik te maken van illegale vapes en/of van vapes die via een illegaal verkoopkanaal zijn verstrekt.
  • De productie en export van vapes vindt voornamelijk plaats in en vanuit China.
  • De verkoop van vapes komt voor in fysieke winkels in Nederland, webshops en fysieke winkels in het buitenland, maar ook via sociale media en dealers (voornamelijk onder jongeren).
  • In het onderzoek worden verschillende actoren in de vapehandel onderscheiden. Voorbeelden zijn de onderaannemer en kwetsbare dealer. Er is sprake van een handelsketen die zichzelf in stand houdt.
  • Uit het onderzoek blijkt dat actoren in de illegale vapehandel soms ook betrokken kunnen zijn bij andere vormen van criminaliteit.

Bron: Berger, E., Derksen, E., Dinnissen, C., & van Esseveldt, J. (2026). Donkere wolken. Een eerste verkenning van illegale vapehandel in Nederland. Bureau Beke.


Kabinet versterkt aanpak ernstige verstoringen openbare orde met nieuwe politiebevoegdheden

Het kabinet geeft de politie meer bevoegdheden om (mogelijke) ernstige verstoringen van de openbare orde te voorkomen. Daarmee heeft de ministerraad ingestemd op voorstel van minister Van Weel van Justitie en Veiligheid. Met het wetsvoorstel Wet gegevensvergaring openbare orde verbetert het kabinet de informatiepositie van de politie en de burgemeester. Het wetsvoorstel gaat nu naar de Raad van State voor advies.

Minister Van Weel: “Ernstige verstoringen van de openbare orde worden steeds vaker aangejaagd en georganiseerd via sociale media en andere online platforms. Het is daarom essentieel dat de politie online informatie mag vergaren om tijdig te kunnen ingrijpen, hiermee doet het kabinet een stap voorwaarts in het versterken van het gezag op straat.”

De nieuwe bevoegdheden

Het wetsvoorstel geeft de politie 2 extra bevoegdheden om online gegevens te verzamelen uit publiek toegankelijke bronnen. Het gaat om het verzamelen van persoonsgegevens uit het openbare deel van het internet en online gegevens verzamelen van personen en hun openbare accounts. Van deze personen moet het vermoeden bestaan dat zij een belangrijke rol spelen bij een (mogelijk) ernstige verstoring van de openbare orde. Zo kan de politie bij aanwijzingen dat rellen dreigen uit te breken, denk bijvoorbeeld aan de Malieveldrellen van afgelopen september of de rellen op de boulevard van Scheveningen vorig jaar in mei, de noodzakelijke gegevens online verzamelen om tijdig in te grijpen en de verstoring te voorkomen of te stoppen. De politie oefent deze bevoegdheden uit onder gezag en verantwoordelijkheid van de burgemeester.

Waarborgen

Het wetsvoorstel bevat stevige waarborgen omdat het een grote impact kan hebben op de levenssfeer van mensen. De burgemeester heeft voor de inzet van de bevoegdheden een machtiging nodig van de rechter-commissaris. Daarnaast geldt een strikt regime voor de verwerking van de verzamelde persoonsgegevens.


Leegstandsheffing nieuw instrument in aanpak leegstand

Gemeenten krijgen op initiatief van de Tweede Kamer een nieuw instrument om langdurige leegstand van woningen aan te pakken: de leegstandsheffing. Hiermee kunnen gemeenten een belasting opleggen aan eigenaren van woningen die langer dan een jaar leegstaan. Doel is om ervoor te zorgen dat alle beschikbare woonruimte gebruikt wordt om in te wonen. Leegstand is onwenselijk in tijden van woningnood, waarin veel mensen op zoek zijn naar een huis.

Minister Elanor Boekholt-O’Sullivan van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening heeft het besluit op 20 maart gepubliceerd. Gemeenten kunnen de leegstandsheffing vanaf nu opnemen in een lokale belastingverordening. Vanaf dat moment begint de periode van een jaar te lopen dat een woning leeg moet staan, voordat de heffing kan worden opgelegd. De VNG werkt aan een model belastingbesluit voor gemeenten. Hierin wordt de precieze vormgeving uitgewerkt.

Bestaande instrumenten

Gemeenten kunnen de leegstandbelasting inzetten in combinatie met de bestaande instrumenten uit de Leegstandwet. Het kabinet werkt momenteel aan wijziging van de Leegstandwet. Het wetsvoorstel lag afgelopen zomer in consultatie en gaat binnenkort voor advies naar de Raad van State.

Effectievere bevoegdheden

Met de gewijzigde Leegstandwet krijgen gemeenten effectievere bevoegdheden om leegstand aan te pakken. Zo kan een gemeente een collectieve vergunning afgeven voor tijdelijke verhuur. Dit geldt alleen voor woonruimtes in een gebouw en bij sloop en (ver)nieuwbouw. Ook mag de gemeente straks het elektriciteitsverbruik van een pand opvragen om te controleren of het pand leegstaat. Gemeenten kunnen daarnaast een verplichting opleggen om een langdurig leegstaand pand weer in gebruik te nemen of geven.


Afspraken voor stevige lokale teams in elke gemeente: hulp dichtbij gezinnen

Door problemen eerder aan te pakken, kunnen jongeren beter worden geholpen. Ook kan zwaardere, specialistische jeugdzorg vaker worden voorkomen. Daarom is het belangrijk dat hulp dichtbij jongeren en hun gezin beschikbaar is. Lokale teams spelen daarin een belangrijke rol. Zij ondersteunen inwoners, bijvoorbeeld bij vragen over zorg en opvoeding. Gemeenten, het Rijk en andere organisaties hebben nieuwe afspraken gemaakt om deze lokale teams te versterken. Met het convenant Stevige lokale teams spreken zij af ​dat de teams in heel Nederland goed georganiseerd zijn.

Het convenant werd ondertekend door de Vereniging Nederlandse Gemeenten, de ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onderwijs Cultuur en Wetenschap, de Associatie Wijkteams, de Samenwerkende Beroepsverenigingen Jeugd, GGD GHOR Nederland, ActiZ Jeugd, MIND, Ieder(in) en Sociaal Werk Nederland.

Laagdrempelige manier

Minister Sterk (Jeugd): “Als je je ergens zorgen over maakt of zorgen hebt over je kind, wil je snel iemand kunnen spreken die met je meedenkt. Dat moet overal in Nederland op een laagdrempelige manier kunnen. Het is daarbij belangrijk dat we niet alleen kijken naar het kind, maar naar het hele gezin. Zo worden jongeren beter geholpen, kan de druk op de aanvullende hulp worden verminderd en wordt de jeugdzorg beter houdbaar voor de toekomst.” ​​

Doen waar ze goed in zijn

Staatssecretaris Tielen (Onderwijs): Jongeren groeien en leren elke dag. Daarvoor is het belangrijk dat jongeren en hun ouders mensen dichtbij hebben die hen kennen en zien. Stevige lokale teams, op en rondom school, kunnen hen helpen als het minder gaat. Zo kunnen leraren doen waar ze goed in zijn: lesgeven. En kunnen leerlingen doen waar het om gaat: leren en zich ontwikkelen.

Lokale teams bieden passende hulp aan gezinnen

Het lokale team is het eerste aanspreekpunt voor jongeren en gezinnen, bijvoorbeeld bij vragen over opvoeden. Het team kijkt met een brede blik naar wat er speelt in het gezin en helpt onderliggende problemen aan te pakken. Waar nodig werken zij samen met andere domeinen, zoals onderwijs en schuldhulpverlening. De teams zijn aanwezig in de wijk of op scholen.

Minder verschillen tussen gemeenten

Er zijn nu nog grote verschillen tussen gemeenten in de ondersteuning aan inwoners. Met het convenant spreken gemeenten, uitvoeringsorganisaties en het Rijk af om meer op één lijn te komen in de hulp. Zo moet voor inwoners duidelijker worden wat zij kunnen verwachten. De ondertekenaars vinden het belangrijk dat iedereen kan rekenen op toegankelijke, samenhangende en passende ondersteuning, ongeacht waar iemand woont.

Wetsvoorstel Reikwijdte

Deze aanpak sluit aan bij het wetsvoorstel Reikwijdte.​ Daarmee wil het kabinet problemen zo dicht mogelijk bij jongeren en gezinnen oplossen en specialistische jeugdzorg alleen inzetten als dat echt nodig is. Zo krijgen jongeren sneller passende hulp, gemeenten meer grip en wordt de jeugdzorg beter houdbaar voor de toekomst.


Internetconsultatie gestart voor nieuw landelijk meldpunt discriminatie

Om discriminatie beter te kunnen melden en slachtoffers sneller te ondersteunen, werkt het kabinet aan 1 duidelijk en landelijk herkenbaar meldpunt. Dit meldpunt gaat meldingen registreren, slachtoffers ondersteunen en werken aan de preventie van discriminatie. Om dit te regelen heeft Minister Heerma van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het concept wetsvoorstel Wet bijstand bij discriminatie in consultatie gebracht. Iedereen kan nu via de internetconsultatie reageren op de plannen voor het landelijke meldpunt.

Knelpunten huidig systeem

Op dit moment bepalen gemeenten zelf waar inwoners discriminatie kunnen melden. De meeste gemeenten doen dat via de landelijke vereniging Discriminatie.nl. Die vereniging heeft 18 antidiscriminatiebureaus met 27 plaatselijke loketten in het land. Sinds 2024 gebruiken deze antidiscriminatiebureaus dezelfde naam voor hun meldpunt, namelijk Discriminatie.nl.
Dit systeem van meldpunten kent verschillende problemen. Zo zijn er verschillen in dienstverlening, omdat de antidiscriminatiebureaus door gemeenten worden gefinancierd. Sommige bureaus krijgen meer geld en kunnen daardoor meer diensten aanbieden dan andere. Daarnaast ervaren mensen drempels om discriminatie te melden. Uit onderzoek blijkt dat meldpunten niet altijd bekend zijn en dat mensen soms weinig vertrouwen hebben in het nut van een melding. De Wet bijstand bij discriminatie moet deze en andere knelpunten aanpakken.
 

Nieuwe landelijke structuur

In plaats van het huidige stelsel met veel losse en verschillende bureaus, moet er 1 landelijke organisatie komen die meldingen coördineert en ondersteuning biedt. De lokale meldpunten bestaan. 
De wet zorgt ervoor dat de nieuwe landelijke organisatie gefinancierd wordt door het Rijk, zodat er uniformiteit in de dienstverlening en kwaliteit komt voor alle lokale meldpunten.  
Met de nieuwe structuur moet het makkelijker worden om discriminatie te melden. Er komt 1 herkenbaar meldpunt waar mensen terecht kunnen. Dat meldpunt is zowel fysiek als online en telefonisch bereikbaar. Ook wordt de hulp overal op dezelfde manier aangeboden, wat moet bijdragen aan een effectievere aanpak van discriminatie.
Het wetsvoorstel is opgesteld in afstemming met onder anderen de huidige vereniging van antidiscriminatievoorzieningen (Discriminatie.nl), de gemeenten (VNG) en de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme (NCDR). 

Actieve openbaarmaking

Om te voldoen aan de Wet open overheid maakt het ministerie van BZK de stukken over dit wetsvoorstel actief openbaar. Via deze tijdlijn kunt u meekijken met interne documenten en zien hoe het wetsvoorstel is gemaakt. Denk bijvoorbeeld aan verslagen van overleggen tussen BZK en andere betrokken organisaties. Deze extra transparantie past bij het maatschappelijke gewicht van het onderwerp (anti)discriminatie en bij de belangrijke rol van antidiscriminatievoorzieningen.

Consultatieperiode

Het wetsvoorstel is tot en met 1 mei 2026 (online) opengesteld voor consultatie en is hier te vinden. Iedereen is van harte uitgenodigd om te reageren, in het speciaal het maatschappelijk middenveld voor de aanpak van discriminatie en alle andere betrokken partijen. De wet zal naar verwachting in 2028 in werking treden.


Eerste aanvullingswet nieuw Wetboek van Strafvordering naar Tweede Kamer

Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid Claudia van Bruggen en minister van Justitie en Veiligheid David van Weel hebben de eerste aanvullingswet voor het nieuwe Wetboek van Strafvordering ingediend bij de Tweede Kamer. Deze wet is de eerste van 2 aanvullingswetten voor het nieuwe Wetboek. De wetten met de 8 boeken van het nieuwe Wetboek van Strafvordering zelf zijn al gepubliceerd in het Staatsblad. Met de aanvullingswetten kunnen hier nog wijzigingen in worden aangebracht vóór de inwerkingtreding. Zo is het nieuwe Wetboek volledig bij de tijd als het in werking treedt per 1 april 2029.

Procesafspraken

Met deze aanvullingswet komt er een wettelijke regeling voor procesafspraken. Bij procesafspraken doen een officier van justitie en een verdachte samen een afdoeningsvoorstel aan de rechter, bijvoorbeeld over de op te leggen straf. De rechter bepaalt of dat voorstel wordt gevolgd. In de praktijk worden procesafspraken al veel toegepast. Met de wet komen er ook begrenzingen. Zo mogen procesafspraken niet gemaakt worden bij ernstige gewelds- en seksuele misdrijven waarop een gevangenisstraf staat van 12 jaar of meer én mag de strafvermindering maximaal een derde zijn ten opzichte van de straf die de rechter overwoog op te leggen als er geen procesafspraken zouden zijn gemaakt.

Buitengerechtelijke afdoening

Deze aanvullingswet maakt het ook mogelijk voor het Openbaar Ministerie om voorwaardelijke straffen op te leggen in een strafbeschikking, dus buiten de rechter om. Door minder zware zaken op deze manier te bestraffen, kan de capaciteit van rechters worden ingezet voor zwaardere zaken. Dit draagt bij aan kortere doorlooptijden in het strafrecht. Ook tegen een strafbeschikking waarin een voorwaardelijke straf wordt opgelegd kan de verdachte in verzet gaan, zodat de zaak alsnog aan de rechter wordt voorgelegd.

Verduidelijking en modernisering

Naast de regels voor procesafspraken en buitengerechtelijke afdoening bevat de aanvullingswet onder meer een nieuwe regeling voor lichaamsonderzoek bij bewusteloze personen. Ook worden bepaalde regels verduidelijkt en gemoderniseerd, bijvoorbeeld over de inzet van deskundigen, het toezicht op bijzondere voorwaarden en de bevoegdheid om heimelijk in te loggen met rechtmatig verkregen gegevens. Tevens worden de regels voor het verwerken van strafvorderlijke gegevens overgenomen uit het huidige wetboek.

Regels voor strafproces

Het Wetboek van Strafvordering bevat de regels waaraan politie, Openbaar Ministerie, rechters en advocaten zich moeten houden in het strafproces. De vernieuwing maakt het wetboek toegerust op nieuwe vormen van criminaliteit zoals cybercrime en ondermijning. Ook wordt het wetboek overzichtelijker en toegankelijker en zijn belangrijke uitspraken van de hoogste rechter erin verwerkt. De vernieuwing maakt het wetboek toekomstbestendig door een duidelijkere positie voor verdachten en slachtoffers maar ook door een actualisering van opsporingsbevoegdheden en de digitalisering van het strafproces. Het nieuwe wetboek is het resultaat van meer dan 10 jaar samenwerking tussen alle betrokken organisaties in de strafrechtketen.