Straf doodslag omhoog naar 25 jaar

De maximale gevangenisstraf voor doodslag gaat omhoog van 15 naar 25 jaar. Hierdoor komt de straf meer in de buurt van de maximale straf van 30 jaar voor moord, wat meer recht doet aan de ernst van het misdrijf. De ministerraad heeft daarmee ingestemd, op voorstel van minister Grapperhaus van Justitie en Veiligheid en minister Dekker voor Rechtsbescherming.

Frank van Summeren, adviseur bij RONT Management Consultants en docent op de training casus en procesregie op zorg en veiligheid.

Minister Grapperhaus: “Verhoging van het strafmaximum geeft de rechter de armslag die nodig is om in alle gevallen van doodslag een passende straf op te leggen.”

Minister Dekker: “Doodslag veroorzaakt onherstelbaar leed bij nabestaanden van slachtoffers, daar hoort een straf bij die daar recht aan doet.”

Doodslag ligt soms heel dicht aan tegen moord. Doodslag is het opzettelijk doden van een ander mens. Doodslag met voorbedachte raad is moord. Sinds de invoering van het Wetboek van Strafrecht staat op doodslag maximaal 15 jaar gevangenisstraf. In 2006 is de maximumduur van de gevangenisstraf voor moord verhoogd van 20 naar 30 jaar, als alternatief voor de levenslange gevangenisstraf. Door nu het maximum voor doodslag te verhogen naar 25 jaar, wordt het gat tussen doodslag en moord verkleind.

De ministerraad heeft ermee ingestemd het wetsvoorstel voor advies aan de Raad van State te zenden. De tekst van het wetsvoorstel en van het advies van de Raad van State worden openbaar bij indiening bij de Tweede Kamer.


Gemeenten positief over pilot verhuurdervergunning

De verhuurdervergunning is een goede manier om malafide verhuurders aan te kunnen pakken. Dat blijkt uit een pilot rond de aanpak van goed verhuurderschap. De afgelopen twee jaar namen gemeenten en belanghebbende organisaties deel aan de aanpak goed verhuurderschap. Daarbinnen werd een aantal pilots gedaan met een verhuurdervergunning. Gemeenten zijn tevreden met de geboekte resultaten en willen graag een landelijke grondslag. Minister Ollongren werkt daarom aan een nieuw wetsvoorstel.

Frank van Summeren, adviseur veiligheid bij RONT Management Consultants en hoofddocent op de cursus huisvesting arbeidsmigranten.

Dit voorstel moet ervoor zorgen dat gemeenten de bevoegdheid krijgen om landelijke geüniformeerde voorschriften voor verhuurders te kunnen instellen. Gemeenten kunnen dan ook een specifieke vergunningsplicht instellen voor verhuurders die veelvuldig overtredingen begaan. 

Resultaten pilots

Verschillende steden en regio’s hebben sinds de start van de aanpak goed verhuurderschap waardevolle praktijken ontwikkeld waarmee de activiteiten van malafide verhuurders tegengegaan worden. Uit pilots blijkt dat actieve handhaving werkt en dat het belangrijk is om de informatiepositie van huurders te versterken. Ook is er ervaring opgedaan met de overname van panden door de gemeente, zodat de huurders niet hoeven te vertrekken als de verhuurder de fout in gaat. Die mogelijkheid bestaat al sinds 2015 op grond van de Woningwet, maar is tot nu toe grotendeels onbenut gebleven.

Statement goed verhuurderschap

Verhuurders, gemeenten en andere belanghebbenden willen actief met de aanpak doorgaan. In de Kamerbrief over de resultaten van de aanpak goed verhuurderschap brengen ze het volgende statement naar buiten: “We zullen ons hard blijven maken voor het tegengaan van discriminatie op de woningmarkt en het aanpakken van de malafide verhuurders waar dat in ons vermogen ligt”. Het statement wordt ondersteund door: Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), de gemeente Amsterdam (namens de studentengemeenten), de Woonbond, de Landelijke Studentenvakbond (LSVb), Vastgoed Belang, de Vereniging van Institutionele Beleggers in Vastgoed Nederland (IVBN), Vastgoedmanagement Nederland (VGM NL), de Nederlandse Vereniging van Makelaars en Taxateurs (NVM), Vereniging Bemiddeling Onroerend Goed (VBO) en Aedes.


Wetsvoorstel Alcoholmeter in consultatie

Het opleggen van een alcoholverbod draagt bij aan een veiligere samenleving. Maar liefst 26% tot 43% van het geweld in Nederland is gerelateerd aan alcohol. Minister Grapperhaus stuurt daarom een wetswijziging voor advies naar betrokken organisaties, die de landelijke invoering van de Alcoholmeter regelt. Dat is een betrouwbaar controlemiddel voor de naleving van het alcoholverbod, omdat het een enkelband is die via het zweet continu alcoholgebruik meet.

Frank van Summeren, adviseur bij RONT Management Consultants en docent op de training casus en procesregie op zorg en veiligheid.

Mensen die veroordeeld worden voor een strafbaar feit dat onder invloed gepleegd is, kunnen als bijzondere voorwaarde een alcoholverbod opgelegd krijgen. De Alcoholmeter meet betrouwbaar of dit verbod wordt nageleefd en iemand dus niet drinkt. Dat is gebleken uit een aantal succesvolle pilots. De alcoholenkelband kan op dit moment echter alleen op vrijwillige basis ingezet worden, omdat een juridische grondslag ontbreekt. Met dit wetsvoorstel kan de Alcoholmeter straks ook verplicht ingezet worden, nadat de rechter of het openbaar ministerie een alcoholverbod opgelegd heeft.

Nu wordt de naleving van het alcoholverbod gemiddeld twee keer per week door de reclassering gecontroleerd via bloed- of urineonderzoek, of een blaastest. Het is daarmee een momentopname, waardoor het alcoholverbod tussentijds overtreden kan worden. De Alcoholmeter meet het alcoholgebruik continue.

De maatschappelijke schade van alcoholmisbruik wordt op 2,3 tot 4,2 miljard euro per jaar geraamd. Als ook private kosten worden meegewogen loopt de schade op tot 6,1 miljard euro. De Alcoholmeter helpt alcoholmisbruik, het plegen van misdaden en rijden onder invloed van alcohol te voorkomen.


Misstanden incassosector aangepakt

Sommige incassobureaus confronteren consumenten met intimidatie en onterechte of niet inzichtelijke kosten, waardoor mensen verder in de problemen komen en emotionele stress ondervinden. Om dit tegen te gaan, diende minister Dekker voor Rechtsbescherming een wetsvoorstel in bij de Tweede Kamer dat een incassoregister regelt en kwaliteitseisen stelt.

Frank van Summeren, adviseur bij RONT Management Consultants en docent op de training casus en procesregie op zorg en veiligheid.

Minister Dekker: “Mensen met problematische schulden moeten we beschermen tegen incassobureaus die intimideren, kosten opjagen of onduidelijk zijn. Met een incassoregister en het stellen van kwaliteitseisen halen we de ‘cowboys‘ uit de markt.”

Verplichte registratie

Straks is een registratie verplicht om actief te zijn als incassodienstverlener. Alleen bureaus die aan de juiste eisen voldoen, worden ingeschreven in het incassoregister. Incassodienstverleners die zich niet gedragen, worden uit het register verwijderd en mogen dat werk dan niet meer doen. Het register is openbaar en gratis raadpleegbaar, zodat iedereen kan zien of een incassobureau aan de juiste eisen voldoet. Deze kwaliteitseisen gaan onder meer over de juiste opbouw en transparantie van de vordering. Ook worden er eisen gesteld aan het personeel, zodat tegen gegaan wordt dat mensen op ontoelaatbare wijze onder druk gezet worden.

Verantwoord incasseren

Ook vanuit de sector werd gepleit voor duidelijke regels. Een grote groep incassobureaus houdt zich al langer aan zelf opgelegde kwaliteitseisen binnen de Nederlandse Vereniging van gecertificeerde Incasso-ondernemingen (NVI). Minister Dekker ging daar onlangs op bezoek om gezamenlijk het belang van maatschappelijk verantwoorde incasso te onderstrepen.


Commissie Letschert: Strafrechtketen, sla handen ineen voor ferme stap vooruit!

De strafrechtketen moet de handen ineen slaan om in de volle breedte een ferme stap vooruit zetten. Bovenal dat maakt het mogelijk om het nieuwe Wetboek van Strafvordering straks succesvol in te voeren en samen de kansen te benutten die het wetboek biedt voor versterking van de kwaliteit en doelmatigheid van de keten en voor verkorting van doorlooptijden van strafzaken. Tot die aanbeveling komt de onafhankelijke Commissie Implementatie nieuwe Wetboek van Strafvordering in haar advies. Hierin roept de commissie de strafrechtketen op tot ‘collectieve daadkracht’. Die is volgens haar ‘cruciaal’ voor het nieuwe wetboek.

Frank van Summeren, adviseur veiligheid bij RONT Management Consultants en docent op de training casusregie voor de aanpak van ondermijning.

Minister van Justitie en Veiligheid mr F.B.J. (Ferd) Grapperhaus en minister voor Rechtsbescherming drs S. (Sander) Dekker stuurden het advies van de commissie op 11 februari 2021 met hun beleidsreactie naar de Tweede Kamer. Van het adviesrapport van de commissie onder voorzitterschap van prof. dr. R.M. (Rianne) Letschert (verder: commissie Letschert) maken ook de implementatiestrategie en de rapportage implementatiekosten deel uit.

De bewindslieden noemen deze stukken en het advies van de commissie in hun reactie ‘grondig en uitvoerig. De commissie is er overtuigend in geslaagd om in haar werk zowel inzicht te bieden in de inspanningen, kosten en voorwaarden, als te wijzen op de risico’s en onzekerheden die gepaard gaan met deze’, zoals de commissie formuleert, ‘historische operatie’.

Hierna volgt op basis van het adviesrapport van de commissie Letschert:

  • Over het belang van snelheid in het wetgevingsproces;
  • Over het belang van het nieuwe Wetboek van Strafvordering en modernisering;
  • Over ketenbreed samen invoeren van het nieuwe Wetboek van Strafvordering;
  • Over middelen voor invoeren van het nieuwe Wetboek van Strafvordering.

Over het belang van snelheid in het wetgevingsproces

De commissie Letschert ziet dat er ‘veel commitment in de keten is om het nieuwe wetboek te realiseren, maar dat snel een nieuwe zichtbare stap nodig is. Urgent is dan ook een impuls in het wetgevingsproces’. Door wind in de zeilen te houden van dit onvermijdelijk langdurige veranderingsproces kun je ‘verlies van focus en urgentie’ voorkomen. Ook daarom dringt de commissie erop aan het wetboek zo snel mogelijk voor advisering voor te leggen aan de Raad van State, bij uitzondering zonder financiële paragraaf.

De commissie gaat ervan uit dat uiterlijk in het komende regeerakkoord de nodige middelen, zoals zij die in kaart brengt, beschikbaar komen voor implementatie van het nieuwe wetboek.

Om focus en urgentie vast te houden is volgens haar ook ‘een herhaald collectief publiekelijk uitgesproken commitment van alle partners in de strafrechtketen, waarin de noodzaak van het wetboek benadrukt wordt, nodig’.

Ook omvang en complexiteit van deze moderniseringsoperatie dwingen volgens de commissie tot een voortvarende aanpak. Er moeten ‘nú nieuwe stappen gezet’ worden, zonder welke de commissie zich zorgen maakt over een spoedige inwerkingtreding van het nieuwe wetboek. ‘Nog langer wachten brengt inhoud en de voortgang, resultaat van jarenlang vruchtbare gesprekken en onderhandelen met de keten, in gevaar.’ Pakken regering en parlement door dan is implementatie van het nieuwe wetboek haalbaar in 2026, op de kop af een eeuw na invoering van het huidige wetboek.

De ambtelijke versie van het nieuwe wetboek, sinds medio 2020 gepubliceerd op rijksoverheid.nl, kwam in de afgelopen zeven jaar onder verantwoordelijkheid van het ministerie van Justitie en Veiligheid tot stand na intensief overleg met partners in de strafrechtketen en de wetenschap.

Over het belang van het nieuwe Wetboek van Strafvordering en modernisering

In haar eindrapport gaat de commissie Letschert ook nader in op betekenis en belang van het nieuwe wetboek. Het Wetboek van Strafvordering is ‘het wegennet van de strafrechtelijke rechtshandhaving’. Het verouderde wetboek uit 1926 is na ongeveer 150 wijzigingen inmiddels een lappendeken, dringend toe aan groot onderhoud en vernieuwing.

In de kern van de zaak moet het Wetboek van Strafvordering bevorderen dat de strafwet wordt toegepast op de werkelijk schuldige en vervolging en veroordeling van niet schuldige mensen voorkomen. Het wetboek is dan ook ‘geen luxeartikel’, schrijft de commissie in haar advies. Het waarborgt grond- en mensenrechten van iedereen die onderwerp is van een strafrechtelijk onderzoek.

Voor dit kerndoel is een toegankelijk, actueel en overzichtelijk wetboek onontbeerlijk. Modernisering heeft als doel te komen tot een toekomstbestendig wetboek dat voor burgers toegankelijk is, dat voorziet in een evenwichtig stelsel van rechtswaarborgen en dat in de praktijk werkt voor de honderdduizend professionals in de strafrechtketen.

Het nieuwe wetboek introduceert nieuwe en gewijzigde bepalingen voor strafvordering, codificeert jurisprudentie, stelt de strafrechtketen in staat beter in te spelen op technologische ontwikkelingen die elkaar razendsnel opvolgen in een samenleving die steeds verder digitaliseert. Techniekonafhankelijke formuleringen voorkomen dat het wetboek binnen afzienbare tijd weer achterloopt. In samenhang met waarborgen voor een juiste toepassing en privacy bevat het ook nieuwe bevoegdheden. Die maken opsporing van nieuwe misdaadvormen, zoals digitale criminaliteit en ondermijning, door openbaar ministerie en politie beter mogelijk.

De nieuwe werkwijze in het wetboek legt meer nadruk op het voorbereidend onderzoek dat vooraf gaat aan de behandeling van een strafzaak op de rechtszitting. In het gemoderniseerde wetboek is het uitgangspunt dat een strafzaak wordt ingepland voor inhoudelijke behandeling op zitting zodra die daar klaar voor is. Deze beweging naar voren schept ook voorwaarden voor het verkorten van doorlooptijden van strafzaken. Een factsheet van de commissie op de website rijksoverheid.nl gaat nader in op het hoe en waarom van modernisering van het nieuwe wetboek.

Over ketenbreed samen invoeren van het nieuwe Wetboek van Strafvordering

De commissie Letschert adviseert een big bang-scenario voor invoering van het wetboek en een zo kort en eenvoudig mogelijke overgangsperiode als uitgangspunten van de implementatiestrategie. Dat beperkt overgangsproblemen. De onderlinge samenhang van het wetboek maakt het niet mogelijk het in onderdelen in te voeren.

Invoering van het nieuwe wetboek brengt ook opleiden met zich mee van vele tienduizenden mensen in de strafrechtketen. In totaal werken zo’n 100.000 mensen in de strafrechtketen: rechters en officieren van justitie, advocaten, politiemensen, medewerkers van de Koninklijke Marechaussee en bijzondere opsporingsdiensten maar ook bijzondere opsporingsambtenaren, medewerkers van gevangenissen en van de reclassering.

Het nieuwe wetboek biedt, zoals gezegd, kansen voor versterking van de kwaliteit en doelmatigheid van de strafrechtpleging en voor verkorting van doorlooptijden. Om die kansen optimaal te benutten roept de commissie de ketenpartners op hierin samen te investeren en daarmee alvast te beginnen in de aanloop naar de invoering van het wetboek.

De commissie stelt vast dat ‘de samenwerking in de keten verbeterd kan worden, ook met inachtneming van de staatsrechtelijke verhoudingen. Het denken vanuit de keten moet blijvend aandacht krijgen van allen die in de keten werken. Dat denken mag naar onze mening nog beter in de genen van de ketenpartners verankerd worden en op alle niveaus worden uitgedragen, te beginnen vanuit de top’.

De commissie Letschert ziet een aantal harde voorwaarden voor het verzilveren van de kansen in het wetboek en voor het welslagen van de invoering ervan, waaronder vooral:

  • Een slagvaardige bestuursstructuur waarin de strafrechtketen een sturende en besluitvormende rol krijgt en die ook bewerkstelligt dat genomen besluiten op ketenniveau daadwerkelijk uitgevoerd worden in de verschillende schakels van de keten. De commissie meent dat je binnen deze structuur ook goed vorm kunt geven aan de eigenstandige en onafhankelijke positie van de rechtspraak;
  • Een departement dat in deze structuur zijn volle verantwoordelijkheid neemt voor het stelsel van de keten en voor een succesvolle invoering van het wetboek met een stevige, stimulerende, faciliterende en aanjagende rol;
  • Een ketenbrede implementatiestrategie voor invoering van het nieuwe wetboek, gebaseerd op verregaande ketensamenwerking en afstemming in alle lagen van de keten;
  • Een meerjarig gezamenlijk implementatieplan dat alle implementatieplannen van de afzonderlijke organisaties omvat en dat daarnaast verbindt en sturing mogelijk maakt;
  • Een meerjarige integrale uitvoeringsplanning voor de introductie van alle voor de strafrechtketen relevante nieuwe beleid en wetgeving die ook rekening houdt met de noodzakelijke opleidingstrajecten, ICT-aanpassingen en capaciteit daarvoor en de beschikbare financiële middelen;
  • Investeren in samenwerkingsverbanden voor opleidingen. Slim gebruikmaken van digitale leermethodes en leren vanuit de werkvloer. Inbedden van opleidingen voor het nieuwe wetboek in een meerjarige programmering, waarbij de opleidingen voor het nieuwe wetboek niet te ver voor invoering ervan moeten plaatsvinden. Opleidingen voor het nieuwe wetboek als logische invulling zien van de reguliere opleidingsverplichtingen en die waar mogelijk faciliteren;
  • Gereedmaken van de digitale infrastructuur in de strafrechtketen voor invoering van het wetboek: ‘Grootscheeps langdurig verbouwen, de winkel openhouden én een optimaliseringsslag vergen ook dat de organisaties de basis – vooral op digitaal gebied – op orde hebben en de implementatie samenhangend en ketenbreed wordt aangepakt’.

De commissie Letschert meent dat de ketensamenwerking ‘een krachtige impuls’ krijgt door ‘gezamenlijk een samenhangende meerjarige implementatieplanning voor het wetboek op te stellen en ook een meerjarig uitvoeringsplan voor alle grote trajecten te ontwerpen’. De integrale uitvoeringsplanning moet voorkomen dat de keten wordt overvraagd. Om dezelfde reden adviseert de commissie rondom het invoeringsjaar van het wetboek niet of nauwelijks andere vernieuwingen door te voeren.

Over middelen voor invoeren van het nieuwe Wetboek van Strafvordering

De commissie Letschert raamt de totale bandbreedte van invoeringskosten op 366 tot 458 miljoen euro, te verdelen over een periode van enkele jaren. Dit bedrag is nodig voor onder andere opleiding van ongeveer 60.000 medewerkers, aanpassing van werkprocessen, nieuwe formulieren en systemen.

Ziet naast de Raad voor de Kinderbescherming en de Koninklijke Marechaussee ook de politie kans de invoering van het nieuwe wetboek op te vangen binnen de bestaande opleidingsruimte dan zou dit in totaal 74 tot 98 miljoen euro kunnen schelen in de uitgaven en resulteren in een netto implementatielast met een bandbreedte van 292 tot 360 miljoen euro.

De bulk van de uitgaven voorziet de commissie in de twee jaren voor invoering en het jaar hierna. Ga je hiervan uit en van de bovenkant van de bandbreedte dan kan de verdeling van uitgaven voor invoering van het wetboek min of meer als volgt zijn.

Met het oog op veranderingen die zich in de toekomst mogelijk voordoen beveelt de commissie een jaarlijkse herijking van de ramingen aan en een jaarlijkse evaluatie door een onafhankelijke partij.

De commissie wijst erop dat voor een goed werkend stelsel de ‘checks and balances’ in orde moeten zijn. Hiervoor moet de advocatuur in staat zijn om de intensievere en actievere rol die het nieuwe wetboek voorziet voor de advocaat, in het bijzonder in de ‘beweging naar voren’, adequaat te vervullen. Omdat een belangrijk deel van de verdachten afhankelijk is van het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand zullen de daarin geboden vergoedingen moeten worden toegesneden op de nieuwe taken van de advocatuur in het strafrecht.

De commissie adviseert daarom bij de herziening van het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand rekening te houden met de doorwerking van het nieuwe wetboek op de rol van de advocatuur. In aansluiting op dit advies en op verzoek van de Nederlandse Orde van Advocaten laten de bewindslieden inmiddels de effecten onderzoeken van invoering van het nieuwe wetboek op het stelsel van gefinancierde rechtsbijstand.

De commissie raadt aan om aan te sturen op ketenconsistentie in het zoveel mogelijk voorkomen van productieverlies tijdens de implementatie. Ze onderstreept dat tijdens de ‘verbouwing de winkel open moet blijven’, want de consequenties van het stagneren van de keten zijn maatschappelijk zeer onwenselijk. De commissie noemt invoering van het wetboek een ‘diepte-investering’ die een ‘enorme krachtsinspanning verlangt’ van de mensen in de strafrechtketen: ‘Dat grote beroep op de vele mensen hierin verdient op voorhand de nodige ruimte, begrip en betrokkenheid van ons allen.’

Minister van Justitie en Veiligheid Grapperhaus stelde op 23 september 2019 de externe Commissie Implementatie nieuw Wetboek van Strafvordering in. De commissie kreeg als opdracht mee de inspanningen en kosten in kaart te brengen van invoering van het gemoderniseerde wetboek. Ook gaf de minister aan de commissie opdracht bij te dragen aan het voor het voetlicht brengen van het maatschappelijk belang van het nieuwe wetboek. Van de commissie maken, naast voorzitter Letschert, prof. dr. M.F.H. (Marianne) Hirsch Ballin, drs A.H.M. (André) de Jong en drs K. (Korrie) Louwes deel uit.


Organisatieproblemen bij Landelijke Eenheid aangepakt en gemonitord

De organisatie van de Landelijke Eenheid van de nationale politie moet beter op orde. Minister Grapperhaus van Justitie en Veiligheid heeft de Korpschef gevraagd een programmatische aanpak in te zetten. Dat wordt zowel intern als extern gemonitord op uitvoering en resultaat. Extern gezaghebbend advies wordt gevraagd over de gehele aanpak om de basis van de organisatie op orde te krijgen, inzicht te geven in het verbeteren van leiderschap en cultuur en het versterken van de sturing en monitoring.

Frank van Summeren, adviseur veiligheid bij RONT Management Consultants en docent op de training casusregie voor de aanpak van ondermijning.

Dat schrijft minister Grapperhaus aan de Tweede Kamer in reactie op een eerste deelrapport van de Inspectie Justitie en Veiligheid naar aanleiding van signalen over mogelijke misstanden bij verschillende onderdelen van de Landelijke Eenheid.

Signalen van ongewenst gedrag, machtsmisbruik en onprofessioneel handelen

De Landelijke Eenheid is onder meer belast met de aanpak van georganiseerde criminaliteit en terrorisme in ons land. In 2019 is de Inspectie op verzoek van minister Grapperhaus begonnen met het onderzoek naar aanleiding van signalen over ongewenst gedrag, een verkeerde stijl van leiderschap, machtsmisbruik en onprofessioneel handelen bij verschillende onderdelen van de organisatie. De minister noemt het rapport van de Inspectie ,,indringend’’. Het bevestigt volgens hem (een deel van de) eerdere signalen die indertijd aanleiding voor hem waren de Inspectie te vragen hier onderzoek naar te doen.

Basis op orde krijgen en verbreding van het takenpakket

Het eerste deelrapport gaat over de Dienst Landelijke Informatieorganisatie (DLIO) van de Landelijke Eenheid en in het bijzonder de afdeling Landelijk internationaal rechtshulpcentrum (LIRC) en het Team Criminele Inwinning (TCI). Reeds ingezette verbeteringen zijn volgens de Inspectie het meeste nu zichtbaar bij het TCI dat zich bezig houdt met inwinnen, verifiëren en verwerken van criminele informatie. Meer verbeteringen moeten nog gebeuren bij het LIRC dat verantwoordelijk is voor de internationale informatie-uitwisseling in de opsporing. Zo concludeert de Inspectie dat bij het LIRC na de vorming van de Nationale Politie problemen zijn ontstaan door twee trajecten tegelijk door te voeren; zowel ‘basis op orde krijgen’ als overgaan tot ‘een verbreding van het takenpakket’.

Minister Grapperhaus deelt de conclusie van de Inspectie dat de gesignaleerde problematiek inmiddels is opgepakt door de Landelijke Eenheid, maar dat de organisatie nog een lange weg heeft te gaan. “Het is van belang dat zowel medewerkers als ook de partners van de Landelijke Eenheid vertrouwen hebben in de gekozen aanpak en betrokken worden bij de verbeteringen. Ik heb de Korpschef gevraagd hierop toe te zien en mij periodiek over de voortgang van dit traject te informeren.’’ aldus de minister.

Monitoring en bijsturing

Voor de verdere aanpak van de problemen bij de Landelijke Eenheid wordt nu de programmatische aanpak ingezet. Om deze aanpak te versterken, voor monitoring en waar nodig bijsturing zal de Korpschef het managementteam van de Landelijke Eenheid ook op korte termijn uitbreiden met een extra lid. Minister Grapperhaus heeft er vertrouwen in dat zo invulling wordt gegeven aan de aanbevelingen van de Inspectie en wezenlijke stappen in de goede richting worden gezet bij de Landelijke Eenheid. Daarbij wordt de Inspectie gevraagd om later nog te onderzoeken de aangekondigde programmatische aanpak heeft geleid tot de gewenste effecten.


Landelijke agenda Suïcidepreventie getekend

Recent is de nieuwe Landelijke Agenda Suïcidepreventie 2021-2025 ondertekend door een groot aantal organisaties. Het gaat om onder andere MIND, het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP), de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVVP), Jeugdzorg Nederland, COC Nederland, ProRail, UWV, GGD-GHOR en de VNG.

Frank van Summeren, adviseur bij RONT Management Consultants en docent op de training casus en procesregie op zorg en veiligheid.

De landelijke agenda is één van de pijlers van het landelijk preventiebeleid op het gebied van suïcide. Het Ministerie van VWS heeft voor de komende vijf jaar een bedrag van 24 miljoen euro ter beschikking gesteld aan 113 Zelfmoordpreventie, die de uitvoering van de Agenda coördineert.

Elke suïcide is een persoonlijk drama met grote impact

Staatssecretaris Paul Blokhuis: “Het is verschrikkelijk als mensen gedreven door wanhoop en vaak in eenzaamheid zelfdoding als enige oplossing zien. Elke suïcide is een persoonlijk drama met grote impact op de nabestaanden, naasten en de eventueel betrokken (zorg)professionals. Het terugdringen van suïcides is complex en vergt een lange adem. De afgelopen jaren zijn al veel goede stappen gezet in het kader van suïcidepreventie. Het doel van deze derde Landelijke Agenda is om met een netwerkaanpak  een stap verder te zetten op het terrein van suïcidepreventie. Onder andere door meer aandacht voor suïcide binnen de jeugdhulp en samenwerking binnen de sociaaleconomische sector, zoals bij de politie, het UWV, de gerechtsdeurwaarders en schuldhulpverlening. Ik heb er vertrouwen in dat we met een integrale aanpak een stap dichter komen bij het doel om het aantal suïcides terug te dringen en zal me hiervoor onverminderd blijven inzetten. Immers, in een samenleving waarin het uitgangspunt is dat iedereen er mag zijn, is iedere suïcide er een teveel.”

Netwerkaanpak

In de nieuwe Landelijke Agenda Suïcidepreventie staat de netwerkaanpak centraal. Samen met 45 partijen is het streven dat nog meer mensen, bedrijven en organisaties zich aansluiten en inzetten voor het verminderen van suïcidepogingen en suïcides. De activiteiten zijn gericht op het wegnemen van het taboe op zelfmoordgedachten, training om deze gedachten te signaleren, acties in de wijk en samenwerking tussen naasten, ervaringsdeskundigen en professionals. De activiteiten uit de Agenda bouwen voort op kennis uit de wetenschap en goede voorbeelden uit de praktijk, zoals STORM, een ketenaanpak in het onderwijs. Het aantal suïcides stijgt gelukkig al enige jaren niet meer. Die activiteiten zijn hard nodig; de urgentie voor zelfmoordpreventie is onverminderd hoog. Gemiddeld overlijden in Nederland vijf mensen per dag aan zelfdoding. Daarnaast doen dagelijks nog eens 135 mensen een suïcidepoging, waarvan 40 mensen terecht komen op de spoedeisende hulp.

Parallelle initiatieven

Ook kent ons land, los van de Agenda, al jaren een landelijk programma ter voorkoming van suïcides rond het spoor, dat door ProRail, samen met NS en andere vervoerders wordt uitgevoerd. Ook partijen als de politie, het UWV en enkele grote gemeenten zoals Amsterdam en Den Haag zijn al jaren actief bezig met het terugdringen van suïcide onder hun werknemers, klanten en bewoners.  Daarnaast wordt via ZonMw onderzoek uitgevoerd om meer kennis te vergaren op het gebied van suïcidepreventie. Het is een goede ontwikkeling dat er breed aandacht is voor het thema, want samenwerken vormt de basis in de aanpak om suïcides te voorkomen.


Nieuwe Actie-agenda vakantieparken: doorbouwen op successen

Op 27 januari 2021 tekende minister Ollongren samen met vertegenwoordigers uit het veld de Actie-agenda vakantieparken 2021-2022. De agenda heeft als doel om de diverse problemen die er op vakantieparken spelen verder aan te pakken. Het Rijk werkt hierbij nauw samen met IPO, VNG, GGD GHOR, Vitale Vakantieparken Veluwe, Vitale Vakantieparken Drenthe, Valente, Leger des Heils en het Landelijk Informatie- en Expertisecentrum (LIEC). Het Rijk draagt een bedrag van 1,4 miljoen euro bij aan de uitvoering van de Actie-agenda 2021-2022.

Frank van Summeren, adviseur veiligheid bij RONT Management Consultants en hoofddocent op de cursus huisvesting arbeidsmigranten.

De inzet van de Actie-agenda 2021-2022 bestaat uit vijf hoofdlijnen:

  • Vakantieparken aantrekkelijk houden;
  • Passende oplossingen voor mensen die nu op de parken (permanent) wonen;
  • Voorkomen van excessen en uitbuiting van kwetsbare groepen;
  • Inzet op veilige parken zonder criminaliteit en ondermijning;
  • Voor de toekomst kijken of het combineren van maatschappelijke functies van vakantieparken mogelijk is.

Vervolg

De Actie-agenda 2021-2022 is een vervolg op die van 2019-2020. De eerste Actie-agenda legde een stevig fundament waar nu een verdere verdieping op kan worden aangebracht en wordt doorgebouwd op successen. Zo is de afgelopen twee jaar bij alle betrokken partijen het besef van urgentie vergroot. Verder is er veel kennis opgebouwd over de sociaal-maatschappelijke problematiek bij de Nederlandse vakantieparken. Daarnaast wordt de economische kracht van de recreatiesector versterkt en het onderdoen van deze sector aangepakt.  Een flink aantal provincies maakte bovendien dankzij de impulsgelden vanuit het Rijk een eigen integraal beleid voor de vakantieparken. Het aanpakken van de problematiek op de vakantieparken vergt een langdurige gezamenlijke aanpak, zo blijkt uit de aanpak van de afgelopen jaren.

Pilots

De komende twee jaar gaat er meer aandacht uit naar de problematiek van kwetsbare mensen op vakantieparken. Mede door de gevolgen van COVID-19 worden zij samen met de recreatieondernemers extra hard getroffen. In een aantal pilots doet men daarom onderzoek naar mogelijkheden om kwetsbare mensen op vakantieparken sneller te vinden/herkennen en te ondersteunen. Ook wordt bekeken hoe alle betrokken partijen permanente bewoners van vakantieparken het beste kunnen begeleiden naar passende huisvesting. De opgedane kennis en ervaring van deze pilots worden vervolgens beschikbaar gesteld aan andere gemeenten.


Evaluatiecommissie Wiv: enkele wijzigingen wet noodzakelijk

De Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (Wiv) 2017 heeft gezorgd voor een versterking van de waarborgen op het werk van de MIVD en AIVD. Wel schiet de wet op een aantal punten tekort, concludeert de evaluatiecommissie onder leiding van Renée Jones-Bos vandaag in een rapport dat werd aangeboden aan ministers Kajsa Ollongren (BZK) en Ank Bijleveld (Defensie).

Frank van Summeren, adviseur veiligheid bij RONT Management Consultants en docent op de training casusregie voor de aanpak van ondermijning.

Dit leidt tot knelpunten in de uitvoering en verschillen van opvattingen over onderdelen in de wet tussen de diensten en de toezichthouders. Daarom adviseert de evaluatiecommissie om de wet op een aantal punten te wijzigen.

Bulkdata

De commissie beveelt aan om bulkdata op één manier in de wet te regelen. Hierbij moet het verzamelen en het gebruik van bulkdata met meer waarborgen worden omkleed. Zo wordt tegemoetgekomen aan zorgen in de samenleving over de omgang met grote hoeveelheden gegevens, aldus de evaluatiecommissie.

Buitenlandse diensten

Verder vindt de commissie dat er extra waarborgen moeten komen voor de gegevensuitwisseling met buitenlandse diensten. Ook wil de commissie een rol voor de bestuursrechter. Die zou moeten oordelen over verschillen van mening tussen de toezichthouders en de diensten.

Aanbevelingen

Minister Ollongren: Ik bedank de commissie Jones-Bos voor deze belangrijke wetsevaluatie. Zij stelt aan de ene kant dat de WIV2017 voldoet en komt tegelijkertijd met een aantal belangrijke aanbevelingen om de wet te verbeteren”. Ik ga samen met mijn collega Ank Bijleveld hiermee aan de slag en kom binnenkort met een uitgebreide reactie.

Voldoende bevoegdheden en waarborgen

“Ik ben blij ben dat de evaluatiecommissie vaststelt dat de Wiv 2017 voor een belangrijk deel heeft bereikt wat was beoogd, namelijk voldoende bevoegdheden en waarborgen’’, reageert minister van Defensie Ank Bijleveld-Schouten. ,,Dat neemt niet weg dat de commissie ook concludeert dat de wet op een aantal punten tekort schiet.’’

Vervolg

Het Kabinet bedankt de commissie Jones voor het rapport en zal zich de komende tijd beraden over wat zij met de uitkomsten van het rapport gaan doen.


Overleg justitiële samenwerking tussen Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten geslaagd

Juist in tijden van crisis is het van groot belang goed en constructief samen te blijven werken binnen het Koninkrijk. Recent vergaderden de ministers van Justitie Grapperhaus (Nederland inclusief Caribisch Nederland), Bikker (Aruba), Girigorie (Curaçao) en Richardson (Sint Maarten) met elkaar over de justitiële samenwerking. Dit keer sloot ook Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijsrelaties Knops aan.

Frank van Summeren, adviseur veiligheid bij RONT Management Consultants en docent op de training casusregie voor de aanpak van ondermijning.

Gegevensbescherming en informatie-uitwisseling

In de aanpak van criminaliteit is het belangrijk dat de landen snel informatie met elkaar kunnen uitwisselen, met stevige gegevensbescherming. Daarom hebben de bewindspersonen afspraken gemaakt om te zorgen dat de bescherming van gegevens eenduidig geregeld wordt. Ook is besproken hoe de informatieknooppunten van de eilanden verder ontwikkeld kunnen worden.

Uitwisseling kennis en expertise

Ook de kwaliteit van de openbaar ministeries staat hoog op de agenda van de landen. Vandaag zijn er afspraken gemaakt zodat er jaarlijks lokale officieren van justitie (van de eilanden) worden opgeleid. Daarnaast zijn afspraken gemaakt over de opleidingen rechtsgeleerdheid in de landen, zodat  afgestudeerden van de universiteiten van Aruba en Curaçao gelijke toegang hebben tot de selectie en opleidingen voor de beroepen van advocaat, rechter en officier van justitie in Nederland. Deze afspraken bevorderen de uitwisseling van deze professionals tussen de landen en draagt bij aan de kwaliteit en diversiteit van de togaberoepen.

Gelijkvormig strafprocesrecht

Het strafprocesrecht bevat de spelregels voor de wijze waarop politie en openbaar ministerie overtredingen kunnen opsporen en voor de manier waarop rechters daarover moeten beslissen. De modernisering  van het Wetboek van Strafvordering in de drie landen en Caribisch Nederland maakt het strafproces efficiënter en geeft  meer rechten aan slachtoffers. Voor de politie en het openbaar ministerie gelden in het gehele Caribische deel van het Koninkrijk dezelfde regels voor het opsporen van strafbare feiten. Ook voor de berechting van die zaken kunnen de rechters dezelfde regels hanteren. Daarom zijn afspraken gemaakt zodat deze wetboeken dezelfde inhoud hebben en op een gelijk moment in werking treden.

Versterken rechtsstaat

Ook is gesproken over het onderdeel ‘versterken rechtsstaat’ uit de landspakketten. Met de uitvoering van deze maatregelen zijn de vier landen voortvarend van start gegaan. Nederland stelt structureel een bedrag beschikbaar oplopend tot 45 miljoen euro ter versterking van de rechtsstaat van de Caribische landen van het Koninkrijk.

Het doel van het halfjaarlijks overleg is afstemming over een gezamenlijke, gecoördineerde aanpak van de gemeenschappelijke justitiële aangelegenheden van de landen. Grapperhaus behartigt tijdens het overleg uiteraard ook de belangen van Caribisch Nederland; Bonaire, Saba en St. Eustatius. Vanwege de coronacrisis vond het Justitieel Vierpartijen Overleg (JVO) wederom digitaal plaats, onder voorzitterschap van Aruba.