Nieuwe wetten Justitie en Veiligheid per 1 januari 2026

Op 1 januari 2026 treden verschillende wetten in werking op het terrein van Justitie en Veiligheid. 

Versterking strafrechtelijke aanpak ondermijnende criminaliteit

Vanaf 1 januari 2026 verandert de wet om georganiseerde en ondermijnende criminaliteit beter te bestrijden. Met de nieuwe regels kunnen politie en justitie criminelen harder en sneller aanpakken. Een belangrijke vernieuwing is dat het strafbaar wordt om in een voertuig een verborgen ruimte in te bouwen om politieonderzoek te bemoeilijken, om bijvoorbeeld drugs of geld te vervoeren. Ook worden de straffen voor verschillende misdrijven verzwaard en de maximale boetes verhoogd. Tot slot worden regels rondom het wraken van rechters aangepast, zodat strafzaken minder snel vertraging oplopen. Deze wetswijziging is onderdeel van een groter programma waarmee het kabinet de strijd tegen georganiseerde misdaad verder wil versterken.


Hulp voor werkenden rondom de armoedegrens

In Nederland leven zo’n 355.000 werkenden met een laag inkomen onder of net boven de armoedegrens. Alleenstaande werkenden zijn oververtegenwoordigd. Ze zijn financieel kwetsbaar, hebben vaker schulden en weten de weg naar hulp en inkomensondersteunende regelingen niet altijd goed te vinden. Daarom lanceert het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de campagne ‘Stap naar hulp’.

De gevolgen van geldzorgen kunnen groot zijn. Mensen met een laag inkomen (tot 125% van de armoedegrens) vermijden vaker sociale activiteiten, slapen gemiddeld slechter, moeten soms maaltijden overslaan of leven in angst, bijvoorbeeld om uit huis gezet te worden.

Matige tot grote geldzorgen

Uit een peiling van onderzoeksbureau Ipsos I&O – onder 408 alleenstaande werkenden met een laag inkomen tussen 25 en 65 jaar – blijkt dat 4 op de 10 mensen matige tot grote geldzorgen heeft. Slechts de helft weet waar ze bij geldzorgen hulp kan krijgen.

Mensen met geldproblemen kunnen in sommige gevallen gebruikmaken van bijzondere bijstand, hun gemeentelijke lasten laten kwijtschelden of toeslagen en minimaregelingen aanvragen. Werkenden met een laag inkomen maken relatief minder gebruik van deze regelingen omdat ze denken dat deze niet voor hen bedoeld zijn. Of omdat ze bang zijn geld te moeten terugbetalen. In de Ipsos I&O-peiling gaf 35% van de alleenstaande werkenden aan hier bang voor te zijn, met name mensen tussen de 25 en 35 jaar. Werknemers onder of net boven de armoedegrens werken daarnaast vaak een relatief laag aantal uren. Het gros kan niet voltijd werken, bijvoorbeeld omdat ze een opleiding volgen, zorgen voor familie of vanwege een ziekte.

Werk moet lonen

Staatssecretaris Jurgen Nobel (Participatie en Integratie): “Door meer uren te werken kunnen veel mensen uit armoede komen. Maar dat is niet voor iedereen mogelijk. Werken moet wel lonen en regelingen om werkenden te helpen met geldzorgen moeten eenvoudiger, zonder dat mensen bang hoeven te zijn voor terugvorderingen. Daar werk ik aan samen met gemeenten.”

Grotere schulden voorkomen

Door werkenden met geldzorgen vroegtijdig hulp te bieden, kunnen grotere schulden worden voorkomen. Daarom lanceert het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de campagne ‘Stap naar hulp’, waarin het werkenden met een laag inkomen stimuleert contact te zoeken met Geldfit. Deze organisatie helpt mensen met geldstress om te checken of er potjes zijn die ze nog niet gebruiken en bespreekt hun zorgen over geld.

Rol werkgevers

Daarnaast ziet het ministerie een grotere rol voor werkgevers bij het voeren van gesprekken over de werksituatie en het doorverwijzen naar hulp. Werkgevers kunnen al snel zien of iemand geldzorgen heeft, bijvoorbeeld doordat beslag op loon wordt gelegd vanwege schulden, of als een medewerker meerdere banen heeft om rond te komen. Ook kan er sprake zijn van ziekteverzuim. Een werkgever kan jaarlijks gemiddeld € 13.000 euro kwijt zijn aan kosten als gevolg van een medewerker met geldzorgen.


Brede maatschappelijke beweging tegen eenzaamheid: resultaten actieprogramma 2025 en vervolgstappen 2026

Een succesvolle Week tegen Eenzaamheid, meer maatschappelijke initiatieven om eenzaamheid te verzachten en een handreiking voor professionals in het onderwijs om eenzaamheid onder kinderen en jongeren te voorkomen en te verminderen: dit zijn voorbeelden van geboekte resultaten die staatssecretaris Pouw-Verweij (Langdurige en Maatschappelijke Zorg, VWS) rapporteert in de laatste Voortgangsrapportage over het actieprogramma Eén tegen Eenzaamheid. Met het aflopen van het actieprogramma eind dit jaar komt er een vervolgaanpak vanaf 2026.

Hoewel voor het eerst in jaren het percentage mensen dat zich eenzaam voelt licht lijkt te dalen, blijft de urgentie om eenzaamheid te verminderen hoog. Ongeveer de helft van de volwassen Nederlanders voelt zich eenzaam (46,2%). De gevolgen van eenzaamheid kunnen enorm zijn en leiden tot psychische en lichamelijke klachten.

Staatssecretaris Pouw-Verweij: “Het is hartverscheurend dat er zoveel mensen zijn, jong en oud, die zich eenzaam voelen. Als samenleving moeten we naar elkaar omkijken en eenzaamheid zoveel mogelijk proberen te voorkomen. Ik vind het prachtig om te zien dat we met het actieprogramma een brede beweging in gang hebben gezet. Met veel organisaties, bedrijven en maatschappelijke initiatieven die ieder op hun manier iets aan eenzaamheid willen doen. Iedereen kan een steentje bijdragen. Niemand in onze samenleving hoeft er alleen voor te staan.”

Meer maatschappelijke bewustwording

Meer maatschappelijke bewustwording is één van de speerpunten uit het actieplan. Dit jaar was Zijne Majesteit de Koning aanwezig bij de landelijke opening van de Week tegen Eenzaamheid, waar ruim 800 deelnemers van maatschappelijke organisaties, bedrijven uit de Nationale Coalitie tegen Eenzaamheid, overheidsbestuurders, ervaringsdeskundigen, vrijwilligers en professionals samenkwamen. Ook bij tal van acties rondom de feestdagen in december zoals kerstdiners en kaartjesacties van bijvoorbeeld het Nationaal Ouderenfonds zie je dat maatschappelijke bewustwording centraal staat.

Maatschappelijke initiatieven

Maatschappelijke organisaties en bedrijven hebben een belangrijke rol in het verminderen en voorkomen van eenzaamheid. Bijvoorbeeld met samenwerkingen binnen de Nationale Coalitie tegen Eenzaamheid. Dit jaar zie je de samenwerking van PostNL en Sociaal Werk Nederland terug in bijna elke gemeente, waarbij postbezorgers ‘niet-pluis’ signalen door kunnen geven die sociaal werkers op volgen. Ook bedrijven hebben de handen ineengeslagen met maatschappelijke organisaties zoals de Luisterlijn en Kinderpostzegels. Het ministerie van VWS en het Oranje Fonds hebben financieel bijgedragen aan circa 65 maatschappelijke initiatieven die zich richten op het voorkomen, verminderen en verzachten van eenzaamheid. Dit programma wordt verlengd tot 1 april 2028 en het programmabudget wordt opgehoogd tot €4.900.000.

Aanpak vanaf 2026

Vanaf 2026 zet het kabinet in op het verder versterken van bewustwording en actie ondernemen, met een jaarlijkse publiekscampagne en de jaarlijkse Week tegen Eenzaamheid. Ook wordt de brede maatschappelijke beweging verder verdiept, met stabiele samenwerkingsverbanden tussen gemeenten, zorg en welzijn, onderwijs, werkgevers, sport en cultuur, ondernemers en inwonersinitiatieven. Verder wordt er ingezet op lopend onderzoek, zodat nieuwe wetenschappelijke inzichten worden meegenomen in beleid en praktijk.


Nieuwe zorgmaatregel in strafrecht helpt personen met verward gedrag en een hoog veiligheidsrisico sneller

Met een nieuwe zorgmaatregel wil het kabinet mensen die verward, onvoorspelbaar en gevaarlijk gedrag vertonen sneller helpen. Wanneer zij een strafbaar feit plegen, is alleen straffen vaak niet voldoende. Dan is óók de juiste psychische zorg nodig. Een kleine maar kwetsbare groep mensen valt hier soms tussen wal en schip. Met de nieuwe zorgmaatregel krijgt de rechter een extra middel waarmee deze groep sneller passende zorg en beveiliging krijgt.

Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid Arno Rutte: “Soms is straf alleen niet genoeg om onze samenleving veilig te houden. Voor een kleine groep mensen die een gevaar vormt voor zichzelf of anderen kan passende hulp effectiever zijn. Met deze maatregel geven we rechters extra gereedschap om die hulp te bieden. Zo wordt onze samenleving veiliger.”

Intensieve zorg

Met de nieuwe zorgmaatregel kan de rechter iemand straks maximaal 2 jaar laten opnemen in een beveiligde forensische kliniek. Daar krijgt iemand de intensieve zorg die nodig is en tegelijkertijd wordt de veiligheid op straat beter gewaarborgd.  De onderliggende problematiek en het gepleegde delict van personen uit de doelgroep zijn vaak te licht voor opname binnen de tbs, maar te zwaar voor plaatsing in de reguliere zorg. Dit gaat om personen die verward gedrag vertonen, een zorgbehoefte hebben én een hoog veiligheidsrisico met zich meebrengen. De nieuwe zorgmaatregel gaat in de eerste helft van 2026 in consultatie.

Werkagenda

De nieuwe zorgmaatregel is onderdeel van de Werkagenda aansluiting forensische zorg en reguliere zorg waarin de ministeries van Justitie en Veiligheid en Volksgezondheid, Welzijn en Sport samenwerken met veldpartijen om de reguliere en forensische zorg beter op elkaar aan te laten sluiten.


Besluit nieuw Nationaal Programma tegen Discriminatie en Racisme aan volgend kabinet

Het kabinet laat het besluit over een nieuw Nationaal Programma tegen Discriminatie en Racisme aan een volgend kabinet. Wel liggen er een aantal denkrichtingen klaar, waar het nieuwe kabinet mee aan de slag kan. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft deze naar de Tweede Kamer gestuurd.

Deze denkrichtingen zien voor het grootste gedeelte op de zittingstermijn van een nieuw kabinet. Omdat de besluitvorming daarnaast te zeer samenviel met de eerdere kabinetswissel, is door dit kabinet besloten verdere stappen aan een volgend kabinet over te laten.

De tot op heden uitgewerkte aanpak zou zich kunnen gaan focussen op 4 deelgebieden, die samen zorgen voor een gecoördineerde bestrijding van discriminatie en racisme in Nederland. Daarbij gaat het om specifieke aanpakken voor de samenleving als geheel, de publieke sector, de private sector en op Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Dat het besluit over een volgend programma later komt, betekent niet dat de aanpak van discriminatie en racisme nu stilligt. De betrokken ministeries blijven zich volop inzetten voor de aanpak en de acties die eerder al zijn ingezet. Zo wordt bijvoorbeeld via de Staatscommissie tegen Racisme en Discriminatie gewerkt aan de Discriminatietoets, waarbij met diverse publieke organisaties gekeken wordt hoe en waar discriminatie, uitsluiting of ongelijke behandeling kan ontstaan en kan worden voorkomen.


Individualisering van terrorisme maakt dreiging onvoorspelbaarder

Radicalisering is steeds vaker een individueel proces. Ook het plegen van een aanslag is meer dan eerder een individuele aangelegenheid. Hierdoor is het lastiger om te voorspellen wie, wanneer en waarom iemand overgaat tot een geweldsdaad. Dat zegt de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) in het halfjaarlijkse Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland. De kans op een terroristische aanslag in Nederland is reëel, daarom blijft het dreigingsniveau op 4 (substantieel).

Waarnemend Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid Wieke Vink: “Sinds 2020 zijn terroristische aanslagen in Europa vrijwel uitsluitend gepleegd door daders die alleen handelden. We zien daders met een nieuw persoonlijk gecreëerd wereldbeeld. Dit is vaak een mix van religieuze en politieke overtuigingen, samenzweringstheorieën en haat in combinatie met persoonlijke omstandigheden. Aanslagplegers kunnen ook handelen uit een pure fascinatie voor geweld.”

Radicalisering online

Centraal geleide terroristische organisaties vormen nog steeds een grote dreiging voor de veiligheid in Europa. Tegelijkertijd vindt radicalisering steeds vaker plaats op bijvoorbeeld sociale media, gamingplatformen en in chatgroepen die niet direct door deze organisaties worden aangestuurd. Door het gebruik van fluide online netwerken verspreiden (aanhangers van) terroristische organisaties propaganda, kennis en ideeën om individuele personen te stimuleren terroristisch geweld te gebruiken. De impact van een aanslag door een alleenhandelende dader – bijvoorbeeld een mesaanval of het inrijden op personen met een auto – is kleiner, maar de kans dat een dergelijke aanslag succesvol wordt uitgevoerd is groter. 

Jihadisme

De dreiging van jihadistische aanslagen in Europa en Nederland blijft aanwezig. De dreiging lijkt tijdelijk af te nemen omdat internationale terroristische organisaties zoals ISIS en Al Qa’ida door aanhoudende contraterrorisme-operaties wereldwijd op dit moment waarschijnlijk minder in staat zijn om in Europa aanslagen uit te voeren. ISIS heeft echter het vermogen om de aanslagcapaciteiten snel weer op te bouwen, wanneer militaire operaties tegen ISIS afnemen. Het is daarbij van belang dat de afgelopen maanden ISIS in onder meer Syrie aan kracht heeft gewonnen. In 2025 zijn er in Nederland enkele jihadistische terrrorismeveroordeelden met een hoger dreigingsprofiel vrijgekomen uit detentie. Deze vrijgelaten terrorismeveroordeelden hebben voor zover zichtbaar tot op heden geen handelingen verricht die wijzen op het voornemen een terroristische aanslag te plegen. Het valt niet uit te sluiten dat deze personen kunnen overgaan tot jihadistisch gemotiveerd geweld. Nieuwe vrijlatingen vanaf 2027 kunnen de terroristische dreiging verhogen. 

Rechts-extremisme

De dreiging vanuit rechts-extremisme is nog altijd aanwezig. Binnen het rechts-extremistische milieu zijn diverse aanhoudingen verricht, maar er zijn geen aanwijzingen dat de bereidheid om geweld te gebruiken is toegenomen. De meeste rechts-extremisten zien het openlijk oproepen tot geweld als contraproductief. In plaats daarvan wordt, steeds succesvoller, ingezet op het normaliseren van rechts-extremistische ideeën en activiteiten. Deze normalisering zorgt voor angst, haat en racisme in de samenleving en ondermijnt de sociale cohesie. In sommige gevallen kan het zelfs leiden tot geweldsincidenten.


3 miljoen voor meer veiligheid raadsvergaderingen

Het kabinet investeert in de veiligheid van de lokale democratie, waarin volksvertegenwoordigers goed hun werk kunnen doen. Er komt daarom € 3 miljoen beschikbaar om raads- en Statenvergaderingen zowel publiek toegankelijk als veilig te houden, bijvoorbeeld door de opstelling van de zaal aan te passen. Daarnaast start er een leernetwerk waarin medeoverheden ervaringen en kennis kunnen delen.

Minister Rijkaart (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties):
“Onze volksvertegenwoordigers doen belangrijk werk. Ze staan met hun voeten in de klei en in directe verbinding met de samenleving. Dat moet ook zo blijven. Ze verdienen een omgeving waarin veilig gewerkt kan worden en ze zich vrij kunnen blijven uitspreken. Daarom investeert dit kabinet in veiligheid door kennis en ervaringen te delen en € 3 miljoen voor extra maatregelen uit te trekken.

Start landelijk leernetwerk

Eind november 2025 start het landelijke leernetwerk Veilig Vergaderen. Hierin wisselen gemeenten, provincies en ondersteunende organisaties ervaringen, kennis en praktijkvoorbeelden uit. De eerste groep van 28 deelnemende overheden ontvangt daarnaast een financiële bijdrage om passende veiligheidsmaatregelen te realiseren. Dit kan variëren van ruimtelijke aanpassingen in de opstelling en uitgangen van vergaderzalen tot het verbeteren van de opvolging bij incidenten.

De inzichten uit het traject worden gedeeld, zodat ook andere overheidsorganisaties daarvan kunnen profiteren en hun eigen aanpak kunnen versterken.

Samenwerking in de volle breedte

Het traject wordt uitgevoerd vanuit het programma weerbaar bestuur in nauwe samenwerking met het Nederlands Genootschap van Burgemeesters (NGB), de Vereniging van Griffiers (VvG), StatenlidNu en de Nederlandse Vereniging voor Raadsleden. Samen werken we aan een lokale democratie waarin volksvertegenwoordigers hun werk vrij, veilig en onafhankelijk kunnen blijven doen voor hun inwoners.


Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015: keuzes nodig voor beschikbaarheid en toegankelijkheid van maatschappelijke ondersteuning

De houdbaarheid van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) staat onder druk. Dat komt door ontwikkelingen buiten de maatschappelijke ondersteuning zelf, waar gemeenten maar deels grip op hebben. Daarom zijn duidelijke politieke keuzes nodig om maatschappelijke ondersteuning voor kwetsbare mensen beschikbaar en toegankelijk te houden. Dat blijkt uit het Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015, waartoe in gezamenlijkheid door gemeenten (VNG) en het Rijk opdracht is gegeven. Vandaag is het eindrapport aangeboden aan staatssecretaris Pouw-Verweij (Langdurige en Maatschappelijke Zorg) en de bestuurlijke delegatie van gemeenten (VNG).

Staatssecretaris Pouw-Verweij: “Iedereen verdient het om mee te kunnen doen in onze samenleving. Wanneer je daar hulp bij nodig hebt, bijvoorbeeld door ziekte, een beperking of ouderdom, moet passende ondersteuning beschikbaar zijn. Dit onderzoek brengt duidelijk in kaart voor welke keuzes we staan, als Rijk en gemeenten, om dit nu en in de toekomst beschikbaar en toegankelijk te houden. Dat zijn ook grote stelselkeuzes. Daarom is het aan een volgend kabinet om hier samen met gemeenten richting aan te geven.”

Zorgen over toekomst

Wethouder Kramers (gemeente Leeuwarden, bestuurslid VNG): “Het rapport komt op het juiste moment. We maken ons als gemeenten echt zorgen of inwoners – als we niets doen – in de toekomst nog wel kunnen rekenen op goede ondersteuning vanuit de Wmo. De vergrijzing en de druk in andere stelsels (o.a. ggz, Wlz) leidt ertoe dat fors meer mensen een beroep doen op de Wmo. En tegelijk neemt het beschikbare aantal mantelzorgers en professionals af. Om dat aan te pakken hebben we als uitgangspunt dat Rijk en gemeenten samen moeten investeren in zorgzame gemeenschappen en collectieve ondersteuning. Dat we als 1 overheid de samenhang in de dienstverlening aan inwoners bewaken. En dat de randvoorwaarden om als gemeenten de wet goed uit te voeren (financieel en qua bevoegdheden) op orde zijn. Daarnaast rekenen we erop dat de gedachte van ‘health in all policies’ in het gehele regeerakkoord en in de college-akkoorden terugkomt. Hierover gaan wij graag in gesprek met het nieuwe kabinet.”

Aanbevelingen uit het rapport

Een van de aanbevelingen is om meer samenhang te organiseren tussen het sociaal- en zorgdomein, zodat het voor mensen duidelijk is waar en hoe zij welke ondersteuning kunnen krijgen. Ook moet nagedacht worden over mensen met een levenslange en levensbrede beperking, die langjarig een beroep op ondersteuning doen.

Daarnaast moet de schaarse hoeveelheid personeel beter worden verdeeld over de toenemende groep mensen die ondersteuning nodig heeft. Dit kan door professionals, aanbieders en gemeenten kaders te geven waarbinnen ze kunnen bepalen welke groepen maatschappelijke ondersteuning het hardst nodig hebben en door de inzet van mantelzorg te ondersteunen. In de conclusies wordt ook aanbevolen om ondersteuning waar mogelijk collectief aan te bieden in plaats van individueel.

Dat betekent dat er ook moet worden gezorgd voor een duidelijke beleidsagenda en voldoende middelen voor een sterke sociale basis. Eigen bijdragen in de maatschappelijke ondersteuning kunnen inkomens- en vermogensafhankelijk worden gemaakt.

Randvoorwaarden verbeteren

Het is belangrijk een aantal van de randvoorwaarden te verbeteren, zodat de Wmo 2015 beter kan functioneren en om de bestuurlijke verhoudingen tussen het Rijk en gemeenten te verstevigen. In het rapport wordt gesteld dat het noodzakelijk is om een aantal landelijke kaders, ondersteuningslijnen en standaarden verder te ontwikkelen, om de kwaliteit van de uitvoering in alle gemeenten te versterken. Het Rijk en de VNG zullen gezamenlijk optrekken om de conclusies uit het onderzoek opvolging te geven.


Deskundigencommissie geeft opnieuw advies over voortgang Hervormingsagenda jeugd

Per 1 januari 2026 wordt de externe en onafhankelijke Deskundigencommissie voor de Hervormingsagenda Jeugd 2023-2028 opnieuw geïnstalleerd. Deze commissie kijkt of de gemaakte afspraken rond de jeugdzorg goed worden uitgevoerd en geeft hierover een zwaarwegend en maatgevend advies aan de Rijksoverheid en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Ook bekijkt zij of dit het gewenste effect heeft op de uitgaven en hoe daarmee om te gaan. Dit is een belangrijke afspraak uit de Hervormingsagenda.

In januari 2025 bracht de commissie haar eerste advies uit. Het volgende, tweede advies wordt begin 2027 verwacht.

Taken en rol van de commissie

De commissie monitort de voortgang van de afspraken uit de Hervormingsagenda Jeugd en brengt de ontwikkelingen en de uitgaven in beeld. Ook wordt gekeken of de gezamenlijke inspanningen daadwerkelijk bijdragen aan de beweging die partijen met elkaar willen bereiken in de jeugdzorg. De commissie houdt rekening met knelpunten en bredere maatschappelijke ontwikkelingen die van invloed kunnen zijn, zoals druk op de bestaanszekerheid of het mentaal welzijn van jongeren. Deze uitkomsten vormen samen de basis voor een advies aan de Rijksoverheid en de VNG.

Samenstelling van de commissie

De leden van de commissie zijn Tamara van Ark (voorzitter), Han Polman, José Lazeroms, Bernard ter Haar en Bert Wienen. Deze vijf leden hebben gezamenlijk kennis van het jeugdstelsel, overheidsfinanciën en bestuurlijke verhoudingen.


Kabinet wil bevoegdheid tot intrekken Nederlanderschap bij terrorisme permanent maken

Het kabinet heeft ingestemd met het in consultatie brengen van een wetsvoorstel dat het mogelijk maakt het Nederlanderschap in te kunnen trekken van een persoon die zich in het buitenland bevindt en zich heeft aangesloten bij een terroristische organisatie. Op dit moment geldt deze bevoegdheid al, maar deze is tijdelijk en vervalt in februari 2027. Het wetsvoorstel zorgt ervoor dat deze bevoegdheid permanent in de wet opgenomen wordt.

Deze wet maakt het mogelijk om het Nederlanderschap in te trekken van iemand ouder dan achttien jaar die zich buiten Nederland bevindt en zich aangesloten heeft bij een terroristische organisatie die een bedreiging vormt voor onze nationale veiligheid. Hiervoor is geen strafrechtelijke veroordeling nodig. De intrekking heeft als doel om legale terugkeer naar Nederland of andere delen van het Koninkrijk onmogelijk te maken en illegale terugkeer te bemoeilijken. Tegelijk met de intrekking wordt deze persoon tot ongewenst vreemdeling verklaard.

Land veilig houden

Staatssecretaris Rutte van Justitie en Veiligheid: “We willen niet dat mensen die zich in het buitenland bij terroristische organisaties aansluiten zomaar terug kunnen keren naar het Koninkrijk. Door het Nederlanderschap in te kunnen trekken voorkomen we dat zij aanspraak kunnen maken op het Nederlanderschap en houden we ons land veilig. Daarom is het belangrijk dat deze bevoegdheid straks permanent wordt.”

Bevoegdheid

Door deze bevoegdheid permanent in de wet op te nemen wil het kabinet voorkomen dat mensen die zich aansluiten bij een terroristische organisatie kunnen terugkeren naar Nederland of andere delen van het Koninkrijk. Nederlanders die uitreizen naar het buitenland om zich aan te sluiten bij een terroristische organisatie vormen een groot risico voor de nationale veiligheid. De verwachting is dat deze aanhoudende terroristische dreiging de komende tijd niet zal afnemen, mede door de huidige geopolitieke verhoudingen.

Consultatie

Het wetsvoorstel gaat voor een periode van vier weken in (internet)consultatie. Dit is korter dan gebruikelijk omdat het een bestaande bevoegdheid is. Zo kan de wet voortvarend worden behandeld. Iedereen kan reageren op het voorstel. De reacties worden gebruikt om het wetsvoorstel verder te verbeteren voordat het aan de Raad van State voor advies wordt voorgelegd en vervolgens aan de Tweede Kamer wordt aangeboden.