Kabinet wil wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding permanent maken
Het kabinet wil de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding permanent maken. Daarmee heeft de ministerraad ingestemd op voorstel van minister Van Weel van Justitie en Veiligheid. De wet geeft de overheid de bevoegdheid om mensen vrijheidsbeperkende maatregelen op te leggen als zij mogelijk een terroristisch gevaar vormen maar het strafrecht geen of nog geen mogelijkheden biedt. Zonder aanpassing vervalt de huidige wet op 1 maart 2027.
Veiligheid voorop
Minister Van Weel: “Als minister van Justitie en Veiligheid staat voor mij de veiligheid in onze samenleving altijd voorop. Terrorisme is een aanval op onze vrijheid en veiligheid. Met het permanent maken van deze wet zorgen we ervoor dat de overheid snel, preventief en doelgericht kan ingrijpen wanneer de nationale veiligheid dat vereist.”
De permanente wet
De tijdelijke wet wordt door het kabinet omgezet naar een permanente wet. De wet biedt de mogelijkheid tot het opleggen van een meldplicht, een gebiedsverbod of een contactverbod aan personen met een terroristisch dreigingsprofiel. Het gaat daarbij om personen die op grond van hun gedragingen in verband kunnen worden gebracht met terroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan. Daarnaast kan een uitreisverbod worden opgelegd, waarmee iemand wordt verboden het Schengengebied te verlaten indien het vermoeden bestaat dat deze zich als doel heeft zich aan te sluiten bij een terroristische organisatie. De wet kent een wijziging ten opzichte van de tijdelijke wet; het kabinet heeft namelijk besloten de maatregel om subsidies en vergunningen in te trekken te laten vervallen, aangezien deze sinds de invoering nooit is ingezet.
Advies van de Raad van State
Het tijdelijk beperken van iemands vrijheid zonder voorafgaande veroordeling is een ingrijpende maatregel. De Raad van State plaatste daarom kanttekeningen bij de noodzaak van het voorstel. Het kabinet erkent dit, maar kiest er bewust voor de wet permanent te maken. De lat voor het opleggen van een maatregel ligt hoog en wordt om die reden dan ook niet vaak ingezet. Daarbij blijft de terroristische dreiging onverminderd aanwezig. Het kabinet acht het dan ook essentieel dat de minister van Justitie en Veiligheid dit instrument kan inzetten indien dit noodzakelijk is voor de bescherming van de nationale veiligheid. Het wetsvoorstel wordt nu ingediend bij de Tweede Kamer.
Staatscommissie overheidsingrijpen in gezinnen van start
Met ingang van 1 april 2026 start de staatscommissie overheidsingrijpen in gezinnen waar sprake is van kindermishandeling en/of ontwikkelingsbedreiging. De staatscommissie zal de regering adviseren over de vraag wanneer de overheid moet ingrijpen en betrokken moet zijn, wanneer de overheid mag ingrijpen, maar ook wanneer de overheid niet mag ingrijpen en welke voorwaarden en (rechts)bescherming van toepassing zijn voor deze gezinnen. Daarnaast kijkt de commissie of er alternatieve vormen van betrokkenheid of ingrijpen door de overheid mogelijk zijn.
Naast de staatscommissie werken Rijk, gemeenten, professionals en aanbieders aan het verbeteren van jeugdzorg met de Hervormingsagenda Jeugd en het Toekomstscenario Kind- en gezinsbescherming. De staatscommissie wordt uitgenodigd in haar advies ondersteunend te zijn aan de lopende ontwikkelingen binnen het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming.
Aanleiding staatscommissie
Uit het rapport van de Commissie toeslagen en uithuisplaatsingen bleek dat de onterechte terugvorderingen vanuit de toeslagenaffaire een grote rol hebben gespeeld bij problemen van de gezinnen en daarmee ook bij de uithuisplaatsingen van de kinderen. Tijdens het debat over dit rapport heeft de Tweede Kamer met een motie de regering verzocht een staatscommissie in te stellen. Het kabinet geeft met de start van deze staatscommissie uitvoering aan deze motie.
Onveiligheid of ontwikkelingsbedreiging
Ook is er steeds meer juridische en wetenschappelijke kritiek op de manier waarop de overheid ingrijpt in gezinnen waar sprake is van onveiligheid en/of ontwikkelingsbedreiging bij kinderen. Met name als vervolgens onvoldoende passende bescherming en hulp kan worden ingezet. De impact van overheidsingrijpen bij een gezin kan heel groot zijn, daarom is het goed hier zorgvuldig en kritisch naar te kijken.
Wetsvoorstel afpakken crimineel geld naar Raad van State
Het wetsvoorstel tot implementatie van de Confiscatierichtlijn maakt het mogelijk om waardevolle spullen en vermogen met een criminele herkomst sneller en effectiever af te pakken. Dit kan nu nog alleen na een veroordeling van een verdachte, maar dit wordt straks ook mogelijk zonder dat een verdachte is veroordeeld voor een misdrijf of zonder dat een verdachte in beeld is. De reacties op de consultatie van het wetsvoorstel zijn verwerkt. De ministerraad heeft besloten het wetsvoorstel tot implementatie van de Confiscatierichtlijn voor advies naar de Raad van State te sturen.
Minister Van Weel van Justitie en Veiligheid: ‘Wat hierbij echt verschil kan gaan maken is dat de bal meer bij de belanghebbenden komt te liggen: je moet gewoon een goed verhaal hebben hoe je aan je dure spullen komt. Als het Openbaar Ministerie kan onderbouwen dat die dure auto betaald is met crimineel geld, is het aan jou om het tegendeel te bewijzen. Of om uit te leggen waar die lading contant geld in je woning vandaan komt. Hierdoor kan effectiever worden afgepakt. Niet meer de persoon, maar het geld en de goederen staan centraal. Dit is een mooie volgende stap tegen de ondermijnende criminaliteit in Nederland.’
In 2024 zijn er in Europees verband afspraken gemaakt over het effectiever afpakken van crimineel vermogen. Om aan deze afspraken te kunnen voldoen, wordt de wet in Nederland nu ook aangepast. Met eenzelfde strafrechtelijke procedure binnen Europa kan bovendien beter met andere EU-lidstaten worden samengewerkt. Daarnaast gaan de nationale bureaus voor de ontneming van vermogens van de lidstaten nauwer samenwerken en kunnen inbeslaggenomen voorwerpen straks in meer gevallen worden verkocht voordat een strafzaak is afgelopen. Dat verhoogt de opbrengsten en beperkt opslagruimte en opslagkosten.
Nieuw wetsvoorstel en alternatieve huisvesting statushouders
Het kabinet werkt aan een nieuw wetsvoorstel dat de positie van statushouders op de sociale huurmarkt gelijkstelt aan overige woningzoekenden. Verder maakt het kabinet met gemeenten en andere betrokken partijen in een convenant afspraken over het snel ontwikkelen van flexibele woonlocaties voor statushouders, als alternatief voor het gebruik van sociale huurwoningen. Zodra deze alternatieve huisvesting er in voldoende mate is, zal voorrang voor statushouders in sociale huurwoningen niet langer wettelijk mogelijk zijn, zoals is afgesproken in het coalitieakkoord. Minister Elanor Boekholt-O’Sullivan (Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening) heeft de Tweede Kamer hier vandaag over geïnformeerd.
Dit betekent dat het kabinet het wetsvoorstel intrekt dat door het vorige kabinet naar de Tweede Kamer werd gestuurd over het schrappen van voorrang voor statushouders. Het kabinet werkt een nieuw, uitvoerbaar wetsvoorstel uit in samenwerking met gemeenten en andere maatschappelijke partners. Hierbij wordt tegemoetgekomen aan de reacties van de Raad van State, gemeenten en andere betrokken partijen over de uitvoerbaarheid van het eerdere wetsvoorstel voor een verbod op voorrang voor statushouders. Het kabinet wil hiermee de druk op de sociale woningvoorraad verminderen, met alternatieven voor statushouders en voldoende uitstroom uit de asielopvang.
Wachtlijst
“Voorrang voor statushouders bij sociale huur knelt steeds meer, omdat andere woningzoekenden te lang op een wachtlijst staan”, zegt minister Boekholt-O’Sullivan. “Daarom wil ik ervoor zorgen dat woningzoekenden meer kans krijgen op een sociale huurwoning en tegelijkertijd zorgen voor alternatieve huisvesting voor statushouders. Mijn doel is om een nieuw, uitvoerbaar wetsvoorstel te maken en snel alternatieve huisvesting te realiseren waar statushouders, Oekraïners en andere woningzoekenden terechtkunnen.”
Aanjaagteam
Minister Boekholt-O’Sullivan wil succesvolle initiatieven in het land opschalen. Zo zijn verschillende gemeenten al aan de slag met alternatieve huisvesting, zoals flexwoningen. Ook woningdelen kan een oplossing zijn. Hierdoor zijn minder woningen nodig voor huisvesting van statushouders, wat de wachttijd voor sociale huurwoningen vermindert. De minister heeft een aanjaagteam aangesteld dat deze goede voorbeelden in kaart brengt en gemeenten helpt als de huisvesting nog moeizaam verloopt.
Convenant
Doel is om voor de zomer een concept convenant met afspraken te hebben. De wettelijke verankering van deze afspraken volgt in het wetsvoorstel. Het vervangende wetsvoorstel zal dit jaar nog in internetconsultatie gaan.
Kabinet zet in op verder opschalen van aanvullende schaderoutes
De 1e groep gedupeerde ouders met aanvullende schade heeft de nieuwe MijnHerstel route doorlopen. Sinds de start van MijnHerstel afgelopen december hebben ruim 1000 ouders ervoor gekozen hun aanvullende schade vergoed te krijgen via deze route. Inmiddels hebben ruim 50 ouders hun aanvraag afgerond. De komende tijd zet het kabinet in op het verder opschalen en verbeteren van de aanvullende schaderoutes.
Alle ouders in de toeslagenaffaire hebben inmiddels de uitkomst van hun integrale beoordeling ontvangen. Voor een groot deel van de ouders is daarmee het financiële herstel afgerond. Gemiddeld hebben de ouders ruim € 40.000 na de integrale beoordeling ontvangen. Ouders die meer schade hebben geleden dan tot nu toe vergoed, bijvoorbeeld door het verlies van een huis of een baan, kunnen gebruik maken van 2 routes voor aanvullende schade: MijnHerstel of de schaderoute van de Stichting Gelijkwaardig Herstel (SGH). Beide routes gaan uit van hetzelfde schadekader en worden afgesloten met een vaststellingsovereenkomst.
MijnHerstel
In MijnHerstel kunnen ouders, bij voorkeur met hulp van een advocaat of vertrouwenspersoon, een vergoeding voor aanvullende schade aanvragen. Zij kunnen de route op eigen tempo doorlopen en krijgen daarbij zowel persoonlijke als digitale ondersteuning. Sinds de start van de route zijn verschillende aanpassingen doorgevoerd om de gebruiksvriendelijkheid te verbeteren. Ook kunnen ouders sinds vorige maand via ouderorganisaties extra begeleiding krijgen van ervaringsdeskundigen en zij kunnen de route afronden met een herstelgesprek.
Aanmelden
Tot nu toe hebben ongeveer 19.000 ouders een aanvraag voor aanvullende schade ingediend, waarvan inmiddels 3300 ouders zijn gecompenseerd. Ouders kunnen zich tot en met 31 maart 2026 aanmelden voor aanvullende schade op het informatie- en aanmeldportaal. Zij hebben vervolgens nog 6 maanden de tijd om een keuze te maken tussen de SGH-route en MijnHerstel. De aanmeldtermijn geldt niet voor ouders die na 1 oktober 2025 hun integrale beoordeling hebben ontvangen of waarvan een beroep- of bezwaarbehandeling nog loopt. Nadat hun integrale beoordeling helemaal is afgerond hebben zij nog een half jaar de tijd om eventueel aanvullende schadevergoeding aan te vragen. Voor mensen in de wachtrij bij CWS geldt dat zij al zijn aangemeld. Voor ouders die zich bij SGH hebben gemeld zijn aanvullende afspraken gemaakt.
Individuele berekening
In een beperkt aantal gevallen sluit het forfaitaire kader mogelijk niet aan bij de situatie van een ouder. Dan gaat het om situaties waarbij aannemelijk kan worden gemaakt dat als gevolg van de terugvordering sprake is van hoge medische kosten of structureel inkomensverlies door bijvoorbeeld ziekte of beëindiging van een bedrijf. In die gevallen kan een ouder na het doorlopen van MijnHerstel of de SGH route vragen om een individuele berekening van de schade. Omdat bij de individuele berekening preciezer wordt gekeken naar de hoogte van schade en de causaliteit kan de uitkomst ook lager zijn dan de vergoeding via de MijnHerstel of SGH.
Commissie Werkelijk schade
Op dit moment staan nog ongeveer 9000 ouders in de wachtrij bij de commissie Werkelijke Schade (CWS). Omdat het nog 15 jaar zou duren voordat deze ouders geholpen worden, zijn zij gevraagd om een keuze te maken voor de route van SGH of MijnHerstel zodat ze sneller kunnen worden geholpen. Ouders die al in behandeling zijn bij CWS kunnen als zij dat willen de afhandeling van hun schade bij CWS afronden.
Financieel herstel
Ouders konden zich tot eind 2023 aanmelden voor de hersteloperatie kinderopvangtoeslag. In totaal hebben zich 69.000 mensen gemeld, waarvan ruim 43.000 mensen zijn erkend als gedupeerde. Op dit moment hebben alle gedupeerde ouders een integrale beoordeling gehad. Dat betekent dat zij financieel gecompenseerd zijn voor onterechte terugvorderingen en dat zij een materiele en immateriële schadevergoeding hebben ontvangen. Ook zijn hun publieke schulden kwijtgescholden en private schulden aangepakt. Daarnaast kunnen ouders bij hun gemeente terecht voor brede ondersteuning. Er zijn, samen met ouders, al meer dan 20.000 plannen van aanpak opgesteld.
Wetsvoorstel Wet verbetering kroongetuigenregeling naar Raad van State
De ministerraad heeft op voorstel van minister Van Weel van Justitie en Veiligheid besloten het wetsvoorstel verbetering kroongetuigenregeling voor advies naar de Raad van State te sturen. De consultatie van het wetsvoorstel heeft enkele reacties van betrokken partners opgeleverd. Deze reacties zijn nu verwerkt. De regeling wordt verbreed en daarmee aantrekkelijker gemaakt voor verdachten van minder zware misdaden zodat zij makkelijker waardevolle informatie kunnen leveren over degenen die achter de schermen een grote rol vervullen. Hierdoor wordt het makkelijker om zware criminelen te vervolgen.
Minister Van Weel: ‘De kroongetuigenregeling was tot nu toe vooral aantrekkelijk voor zware criminelen. Maar in hun netwerk zitten ook genoeg kleinere criminelen die als kroongetuigen veel informatie kunnen geven over de grote jongens. Daarom verbreden we de regeling: met behulp van kleinere criminelen pakken we de grote straks sneller aan.’
De kroongetuige is een getuige die zelf verdachte of veroordeelde is. De kroongetuige kan op verzoek van de officier van justitie een verlaagde straf krijgen als hij verklaart over andere daders. Op dit moment kan de straf van een kroongetuige maximaal worden gehalveerd. Als de strafeis normaal gesproken maximaal zes jaar onvoorwaardelijk gevangenisstraf zou zijn, komen deze verdachten straks in aanmerking voor een hogere strafkorting als zij kroongetuige worden. De straf kan dan volledig worden omgezet in een voorwaardelijke gevangenisstraf.
Naar verwachting kan het wetsvoorstel deze zomer bij de Tweede Kamer worden ingediend. Het wetsvoorstel regelt bovendien dat in het Wetboek van Strafvordering de bijzondere zorgplicht van de Staat wordt vastgelegd. Deze zorgplicht wordt uitgewerkt in het nieuwe Besluit getuigenbescherming. Het herziene Besluit zal in een later stadium naar de Raad van State worden gezonden voor advies, nadat het wetsvoorstel is aangenomen in de Tweede Kamer.
Selectieve woningtoewijzing verlengd en uitgebreid in kwetsbare wijken Zaanstad
Minister Boekholt-O’Sullivan van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) geeft de gemeente Zaanstad de komende 4 jaar toestemming om in 5 aangewezen wijken selectieve woningtoewijzing toe te passen. Dit gebeurt op grond van de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek (Wbmgp). In deze gebieden komen veel problemen op het gebied van wonen, leefomgeving, werkloosheid, armoede, gezondheid, onderwijs, veiligheid, georganiseerde en ondermijnende criminaliteit samen. Met deze wet kan een gemeente sturen op wie er in de aangewezen wijken kan komen wonen.
Zaanstad past de Wbmgp sinds 2018 actief toe in Poelenburg en Peldersveld. Dit gebied wordt uitgebreid met Kogerveldwijk, Rosmolenwijk, Hoornseveld en Zaandam-Zuid. Deze wijken zijn onderdeel van het Pact Zaandam Oost, een van de 20 gebieden van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid. De gemeente kan de instroom van woningzoekende huurders in een zwakke sociaaleconomische positie beperken. Daarnaast kunnen woningzoekenden met overlastgevend of crimineel gedrag worden geweerd in dit gebied.
Veilige en leefbare wijk
Minister Boekholt-O’Sullivan: “In ons land verdient iedereen het om in een veilige en leefbare wijk te wonen. In Zaandam-Oost voelen bewoners zich minder veilig dan in andere delen van de stad. Daarom is het goed dat de gemeente grip krijgt op wie er in die wijken mag komen wonen. Zo ontstaan er wijken waarin inwoners zich weer veilig en thuis kunnen voelen.”
Uitbreiden met (delen van) kwetsbare wijken
De inzet van de Wbmgp in Poelenburg en Peldersveld blijft op langere termijn nodig, blijkt uit een Zaanse evaluatie die voorafgaand aan de verlenging is uitgevoerd. Ook is uitbreiding met meer (delen van) wijken nodig om de ernstige leefbaarheidsproblematiek aan te pakken. Er staan relatief goedkope woningen in deze wijken die kwetsbare huurders aantrekken, terwijl meer draagkrachtige bewoners vertrekken. Tegelijk groeit het aantal arbeidsmigranten uit Oost-Europa wat extra druk legt op onderwijs, zorg en leefbaarheid. Toepassing van de Wbmgp stelt de gemeente en betrokken partners beter in staat om te investeren in gemengde wijken en perspectief te bieden aan de huidige bewoners.
Ondermijnende criminaliteit
Uit de cijfers blijkt dat in Zaandam-Oost minder mensen zich veilig voelen in hun buurt dan gemiddeld in Zaanstad. In Poelenburg is dit het laagst, namelijk 52%, oplopend tot 67% in Rosmolenwijk. In heel Zaanstad voelt 77% zich veilig. Ook is het aantal high impact-crimes in Zaandam-Oost groter dan in andere delen van Zaanstad. Jongeren in deze wijken hebben een hoger risico om in de drugscriminaliteit te belanden. Bijna de helft van de als hoog ingeschatte risicojongeren in Zaanstad woont in Zaandam-Oost (47%).
Weren van personen met overlastgevend en crimineel gedrag
Wethouder Wonen en Gebiedsontwikkeling Harrie van der Laan van de gemeente Zaanstad: “Wij zijn erg blij met deze uitbreiding van woningtoewijzing in Zaandam-Oost. We kunnen nu veel gerichter sturen op de instroom van mensen in deze wijken. Zo kunnen we bijvoorbeeld woningzoekenden met overlastgevend of crimineel gedrag weren. Dit helpt om het leefgenot en de leefbaarheid in deze buurten verder te verbeteren.”
Extra toezicht in Emmen om overlast door asielzoekers aan te pakken
De minister van Asiel en Migratie stelt extra middelen beschikbaar voor de versterking van toezicht en handhaving in de gemeente Emmen om overlast door asielzoekers tegen te gaan en bij te dragen aan een veilige en leefbare omgeving.
Aanleiding voor de extra inzet is de verhoogde handhavingsdruk in Emmen, mede door de nabijheid van het aanmeldcentrum in Ter Apel. De aanvullende middelen maken het mogelijk om de handhaving verder te versterken. Zo worden 6 extra buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s), een teamleider en 8 toezichthouders ingezet.
Minister Van den Brink: “Asielzoekers die overlast veroorzaken zijn zeer hinderlijk voor de gemeenschap. De gemeente Emmen heeft al langere tijd last van ongeregeldheden en dat is onverteerbaar voor bewoners. We ondersteunen de gemeente nu met extra toezicht en handhaving, zodat sneller kan worden opgetreden tegen overlast.”
Versterking toezicht en handhaving
De extra inzet bestaat uit 6 boa’s en een teamleider die zich richten op handhaving in het centrum van Emmen, het stationsgebied en in Nieuw-Weerdinge. Daarnaast worden 8 toezichthouders ingezet via straattoezichtteams. Deze teams zorgen voor extra zichtbaarheid op straat en kunnen bijdragen aan het voorkomen en aanpakken van overlast.
Organisatie en aansturing
De organisatie en aansturing van deze inzet ligt bij de gemeente Emmen. Ook kan de gemeente, net als nu, particuliere beveiliging blijven inzetten op locaties waar dat nodig is. De extra middelen worden voor een periode van 1 jaar verstrekt. Na 8 maanden vindt een evaluatie plaats om te bezien of bijsturing nodig is.
Minder jongeren in jeugdzorg: staatssecretaris Tielen (Jeugd) zet in op hulp dichtbij gezin
Te veel jongeren en hun gezinnen vragen om (professionele) jeugdzorg. Dat zet het stelsel onder druk en biedt niet iedere jongere passende hulp. Staatssecretaris Tielen (Jeugd) werkt aan een cultuuromslag: minder problematiseren, hulp dichter bij gezinnen en specialistische jeugdzorg alleen inzetten als dat echt nodig en effectief is. Daarom komt het kabinet met het wetsvoorstel Reikwijdte. De belangrijkste maatregel is de verplichting voor gemeenten om met een lokaal team hulp te bieden aan jongeren en gezinnen. De afgelopen periode zijn samen met gemeenten en andere betrokken partijen belangrijke stappen gezet in de uitwerking. Het wetsvoorstel maakt deel uit van een breed pakket aan (lopende) maatregelen uit de Hervormingsagenda Jeugd van Rijk, gemeenten, professionals, jongeren en aanbieders.
Staatssecretaris Tielen (Jeugd, Preventie en Sport): “De ambitie is dat in 2028 niet meer één op de zeven, maar maximaal één op de tien jongeren gebruikmaakt van jeugdzorg. Daar is een cultuuromslag voor nodig waarbij we problemen zo dicht mogelijk bij jongeren en gezinnen oplossen en specialistische jeugdzorg alleen inzetten als dat echt nodig is en een oplossing kan bieden. Zo krijgen jongeren sneller passende hulp, gemeenten meer grip en wordt de jeugdzorg beter houdbaar voor de toekomst”.
Lokale teams die jongeren passend hulp bieden
Door problemen eerder aan te pakken, kan vaak specialistische jeugdzorg worden voorkomen. Daarom moet deze hulp aanwezig zijn in de buurt van jongeren en hun gezin. Het wetsvoorstel regelt dat iedere gemeente een lokaal team heeft waar inwoners op een laagdrempelige manier terecht kunnen, bijvoorbeeld op school of in de wijk. Dit team is het eerste aanspreekpunt voor jongeren en gezinnen, bijvoorbeeld voor vragen over de opvoeding en kan zelf hulp en ondersteuning bieden. Ook wordt onderzocht hoe de positie van deze teams, ten opzichte van andere verwijzers, versterkt kan worden bij het doorverwijzen naar jeugdzorg. Zo krijgen gemeenten meer grip op de instroom.
Passende hulp en betere samenwerking
Contact met leeftijdsgenoten die hetzelfde meemaken, verkleint eenzaamheid, vergroot het netwerk en daarmee de steun in de omgeving van jongeren. Dit heeft een positief effect. Daarom wordt wettelijk vastgelegd dat hulp in groepsverband voorrang heeft op individuele hulp, tenzij individuele hulp aantoonbaar effectiever of passender is.
Brede blik
Daarnaast wordt nog te vaak jeugdzorg aangeboden terwijl dit (de oorzaak van) het probleem niet aanpakt en het jongeren daardoor ook niet helpt. Het lokale team moet met een brede blik kijken wat er precies aan de hand is en ouders stimuleren onderliggende problemen aan te pakken. Het team werkt, waar nodig, samen met andere domeinen, zoals onderwijs en schuldhulpverlening.
Duidelijke afbakening van jeugdzorg
Het aantal vormen van hulp dat wordt geboden is de afgelopen jaren fors toegenomen. Daarom zijn duidelijke keuzes nodig. Het wordt mogelijk om wettelijk vast te leggen welke vormen van hulp niet onder de Jeugdwet vallen, bijvoorbeeld omdat zij niet effectief of zelfs schadelijk zijn. Ook worden afspraken verplicht over de duur, intensiteit en kosten van aanvullende jeugdzorg.
Kabinet maakt Nationale Dementiestrategie toekomstbestendig
Nederlanders worden steeds ouder en het aantal mensen met dementie neemt snel toe. In 2050 gaat het naar verwachting om ruim 610.000 mensen. Daarom is het belangrijk dat het kabinet blijft investeren in onderzoek naar de ziekte, goede ondersteuning en zorg, en een dementievriendelijke samenleving. Vanuit die noodzaak is de Nationale Dementiestrategie herzien en vernieuwd. Voor de uitvoering van de strategie is tussen 2026-2030 geld gereserveerd. In 2026 is dat € 23 miljoen.
Staatssecretaris Pouw-Verweij (Langdurige en Maatschappelijke Zorg): “Dementie heeft grote gevolgen voor het dagelijks leven van mensen: herinneringen vervagen, dingen die vanzelfsprekend waren worden lastig en de afhankelijkheid van anderen neemt toe. Toch stopt je leven niet als je de diagnose dementie krijgt. Veel mensen willen en kunnen nog midden in de maatschappij staan en betekenisvol meedoen. Die ruimte moeten we hen als maatschappij bieden. Ik ben blij dat het gelukt is om daar oog voor te hebben bij het actualiseren van de strategie.”
Stappen gezet
Met de uitvoering van de Nationale Dementiestrategie (2021-2030) is er de afgelopen jaren al veel bereikt. Er zijn stappen gezet om de samenleving dementievriendelijker te maken, om wetenschappelijk onderzoek naar dementie een impuls te geven en om zorg en ondersteuning beter op elkaar af te stemmen. Om de dementiestrategie toekomstbestendig te maken, is deze nu geactualiseerd en is er voor de komende 5 jaar geld beschikbaar gesteld in het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg (HLO). De stem van mensen met dementie en hun naasten blijft onmisbaar. Daarom zijn zij betrokken bij de vernieuwing van de strategie en komt er een klankbordgroep waarin zij hun ervaringen en ideeën kunnen delen over de uitvoering. Ook gaan organisaties meer bestuurlijk samenwerken om de komende jaren extra stappen te zetten op onderstaande acties.
Preventieonderzoek en aandacht voor beeldvorming
De komende jaren wordt er geïnvesteerd in wetenschappelijk onderzoek naar oorzaken, preventie, (vroeg)diagnostiek en behandeling van symptomen van dementie. Omdat onderzoek steeds duidelijker laat zien dat preventie kan bijdragen aan het voorkomen of uitstellen van dementie, wordt hier extra geld voor vrijgemaakt. Er wordt extra aandacht besteed aan het feit dat mensen met dementie meer zijn dan hun diagnose en een betekenisvolle bijdrage kunnen leveren aan de maatschappij.
Ondersteuning en zorg
Tot slot wordt ingezet op betere ondersteuning en zorg voor mensen met dementie, met specifieke aandacht voor jonge mensen met dementie, mensen met onbegrepen gedrag en mensen met een andere culturele achtergrond. Hiervoor wordt onder meer een basisfunctionaliteit dementie ontwikkeld, zoals is afgesproken in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) en wordt de Zorgstandaard Dementie geactualiseerd. Onderdeel daarvan is toekomstbestendig casemanagement, waarbij casemanagers al in de ‘niet-pluisfase’ ondersteuning en begeleiding bieden aan mensen met dementie en hun naasten.
Samenwerking
Bij de uitvoering van de Nationale Dementiestrategie wordt samengewerkt door de volgende organisaties:
- Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG)
- Zorgverzekeraars Nederland (ZN)
- Alzheimer Nederland
- ActiZ
- GGD GHOR Nederland
- Sociaal Werk Nederland
- Dementie Netwerk Nederland (DNN)
- Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland (V&VN)
- Verenso en de Beroepsvereniging van Professionals in Sociaal Werk (BPSW)
- ZonMw, Zorgstandaard Dementie en het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)



