€ 10 miljoen voor geldlessen op basis- en middelbare scholen en mbo’s

Om jongeren te leren omgaan met geld kunnen schoolbesturen vanaf vandaag subsidie aanvragen. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stelt € 10 miljoen beschikbaar voor onder meer geldlessen, financiële steunpunten voor leerlingen of hulp bij de financiële opvoeding.

Staatssecretaris Jurgen Nobel: “Jongeren worden met achteraf betalen steeds vaker verleid om geld uit te geven dat ze niet hebben. Met goede financiële lessen leer je bewuster omgaan met geld en schulden voorkomen. Kinderen ontwikkelen al op jonge leeftijd gewoontes die de basis leggen voor hun verdere leven, ook financieel. Het is dus echt: jong geleerd, oud gedaan.”

Moeite met rondkomen

Uit cijfers van het Nibud over 2024 blijkt dat 40% van de 18- tot 30-jarigen moeite heeft met rondkomen. 3% van de jongeren tussen 16 en 25 jaar heeft problematische schulden, wijzen cijfers van het CBS uit. Van de jongvolwassenen geldt dat zelfs voor ruim 20%.

Risico op betalingsachterstanden

Met de opkomst van digitale ontwikkelingen, zoals achteraf betalen, groeit het risico op betalingsachterstanden. In 2023 deden minderjarigen 600.000 ‘Buy now, Pay later’-transacties. Een deel daarvan kreeg te maken met aanmaningskosten of een incassobureau.

Subsidie aanvragen

Met de subsidie kunnen scholen hun leerlingen en studenten klaarstomen om verstandig om te gaan met geld. Het is de 4e keer dat scholen de subsidie kunnen aanvragen. In de afgelopen 3 jaar kregen ruim 200 schoolbesturen een bedrag toegekend.

Financiële educatie

Scholen gebruiken het geld om financiële educatie binnen bestaande vakken, zoals rekenen of economie, een plek te geven. In het voortgezet onderwijs en mbo is er hulp voor leerlingen en studenten, bijvoorbeeld bij het aanvragen van toeslagen als ze 18 worden. En op andere scholen kunnen scholieren financieel advies krijgen op speciale spreekuren. Diverse basisscholen ondersteunen ouders bij de financiële opvoeding van hun kinderen, bijvoorbeeld met workshops.


Taskforce: “Kom actiever op voor de Joodse gemeenschap”

Veel Joodse studenten en medewerkers ervaren – ondanks inspanningen na oktober 2023 – nog steeds onveiligheid in het hoger onderwijs. Op treinstations leiden de protesten – in mindere mate – tot algemene veiligheidsproblemen. Tot die conclusies komt de Taskforce Antisemitismebestrijding in haar rapport ‘Gevangen in Vrijheden’ met daarin 11 voorstellen om de veiligheid te verhogen.

Jaap Smit, voorzitter van de Taskforce: “Het recht om te demonstreren is een groot goed, ook tegen het beleid van Israël. Dit mag echter niet ten koste gaan van onze algemene veiligheid en die van de Joodse gemeenschap in het bijzonder. Hier was te weinig oog voor. Wanneer de sociale en fysieke veiligheid in het gedrang komen en juridische en maatschappelijke grenzen overschreden worden dan dient adequaat opgetreden te worden binnen de grenzen van de wet.”

Opdracht Taskforce

De Taskforce Antisemitismebestrijding, bestaande uit 10 leden, is ingesteld door het kabinet. Met de opdracht om te komen met voorstellen gericht op de veiligheid van Joodse studenten in het hoger onderwijs en de algemene veiligheid op stations rondom sit-in demonstraties. Hiervoor zijn de gebeurtenissen op die locaties vanaf oktober 2023 geanalyseerd en ondernomen maatregelen in kaart gebracht. De Taskforce sprak hiervoor met meer dan 120 betrokkenen, waaronder actievoerders, experts, ervaringsdeskundigen en bestuurders.

Sociale veiligheid in het hoger onderwijs niet afdoende

De Taskforce constateert dat de sociale veiligheid voor Joden in het hoger onderwijs – ondanks inspanningen – nog niet op afdoende niveau is. Hoewel het merendeel van de protestactiviteiten vreedzaam verloopt, hebben Joodse studenten en medewerkers veelvuldig te maken met incidenten, pesterijen en intimidaties. Een deel van hen verstopt de Joodse identiteit of blijft weg van de campus. Ook andere studenten en medewerkers komen in de knel en onderwijsactiviteiten worden belemmerd.

Complexe dilemma’s

In deze gepolariseerde tijd heeft de Taskforce waardering voor bestuurders en veiligheidsfunctionarissen. Dagelijks staan zij – met risico’s voor hun eigen veiligheid – voor complexe dilemma’s. Bijvoorbeeld, wat te doen bij een langdurige bezetting? Als je ingrijpt, gooi je dan olie op het vuur, of blus je sneller de brand?

Handelingsmogelijkheden

De Taskforce constateert dat er binnen de wet meer handelingsmogelijkheden zijn dan in eerste instantie werd gedacht. Hier vallen lessen uit te trekken. Zo kunnen kwetsende teksten sneller worden verwijderd. Daarnaast beveelt de Taskforce aan om actiever te handhaven bij grensoverschrijdend gedrag: treed op en spreek je uit! De Taskforce stelt ook voor om de sociale veiligheid te versterken, bijvoorbeeld door trainingen. De samenwerking tussen hoger onderwijsbestuurders en de lokale driehoek (burgemeester, politie en het Openbaar Ministerie) is cruciaal gebleken. Blijf in die samenwerking investeren, ook in rustigere tijden.

Enkele algemene veiligheidsproblemen op treinstations

Op meer dan 40 treinstations waren in de afgelopen 2 jaar sit-in demonstraties tegen het beleid van de staat Israël. Deze acties – een nieuw fenomeen – leiden ondanks hun vreedzame karakter tot enkele algemene veiligheidsproblemen. Zo waren er een aantal maal gelijktijdige sit-in demonstraties op 35 stations en waren er sit-ins met meer dan 1000 deelnemers en veel lawaai (slaan op potten en pannen). Dit zorgt voor risico’s voor de handhavingscapaciteit, voor gezondheid (tijdelijke gehoorschade) en in het geval van een calamiteit. Los van de sit-ins waren er enkele grensoverschrijdende protesten in Den Haag en Amsterdam waarbij demonstranten het spoor betraden met verstoring van de openbare orde. De Taskforce stelt voor dat er binnen het demonstratierecht goede afspraken gemaakt worden tussen de lokale driehoek als bevoegd gezag en de spoorsector (ProRail, NS en andere treinvervoerders) over het ordentelijk laten verlopen van protesten.

Fundamentele discussie over semipublieke locaties als podium voor protest

Demonstranten hebben treinstations en campussen (her)ontdekt als podium. Voor eigenaren en gebruikers van deze semipublieke locaties is het niet altijd duidelijk wat exact de regels zijn. De Taskforce beveelt het kabinet, de VNG en specialisten aan om de fundamentele maatschappelijke discussie hierover te intensiveren. Wat kan waar en wat kan niet, als het gaat om demonstraties op semipublieke locaties, passend binnen de grenzen van het demonstratierecht? Deze aanbeveling moet ook gezien worden in het licht van de bredere verharding van het actieklimaat, zoals bij protesten over stikstof, migratie, corona en klimaat.

Investeer in kennis over het Joodse leven en over antisemitisme

De Taskforce stelt voor om te blijven investeren in de kennis over het Joodse leven en over antisemitisme. Het aantal algemene meldingen en aangiften van antisemitisme bij de politie steeg fors, van 549 in 2022 naar 880 in 2023 en ook in 2024. Bij de protestacties op campussen en treinstations werd zelden strafbaar antisemitisme door het OM gesignaleerd. Wel lijkt er geregeld sprake te zijn van verhuld antisemitisme, met name via antizionistische uitingen die als hondenfluitje kunnen dienen. Naast de aandacht voor de kwetsbare positie van Joden, vragen wij als Taskforce om steun voor bestuurders en veiligheidsfunctionarissen. Zij komen vaak als eerste in de spreekwoordelijke vuurlinie als zij zich uitspreken of optreden tegen antisemitisme.

Samenleving

Jaap Smit: “Joden mogen niet individueel of collectief verantwoordelijk worden gehouden voor de acties van de staat Israël. Daarnaast moeten wij te allen tijde waakzaam zijn voor opkomend antisemitisme als kanarie in de kolenmijn voor verval in onze maatschappij. Als samenleving horen wij ons uit te blijven spreken tegen antisemitisme.”


Nieuwe campagne maakt onzichtbare mantelzorg zichtbaar

Mantelzorgers verdienen het om gezien te worden. Overal in Nederland zorgen mensen – vaak onbetaald en bovenop werk, gezin en andere verplichtingen – voor een familielid, vriend of buur. Hun inzet blijft vaak onzichtbaar, terwijl zij met hun zorg de reguliere zorg enorm ontlasten. Met de campagne ‘ZIEN dat zij er voor iemand ZIJN’ vraagt het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en MantelzorgNL aandacht voor deze onmisbare groep.

Staatssecretaris Pouw-Verweij (VWS): “Mantelzorgers zijn van onschatbare waarde. Maar de druk op mantelzorgers neemt toe, daar zijn we ons goed van bewust. Dat vraagt iets van ons als overheid. We moeten overbelasting voorkomen, mantelzorgers zo goed mogelijk ondersteunen en de combinatie met werk makkelijker maken.  Maar ook familieleden, vrienden, werkgever en zorgverleners kunnen onderdeel zijn van het op de been houden van die o zo belangrijke mantelzorger. Waardering, juist uit die hoek, is ontzettend betekenisvol. Dat staat centraal in deze campagne.”

Liefde en betrokkenheid

Mantelzorgers verlenen zorg uit liefde en betrokkenheid, niet omdat het moet. Maar dat betekent niet dat het altijd vanzelf gaat. Mantelzorg komt bovenop andere verantwoordelijkheden en kan fysiek en mentaal zwaar zijn. Toch vragen mantelzorgers zelf niet snel om hulp of waardering. Juist daarom is het zo belangrijk dat hun sociale omgeving laat zien dat ze hen zien, waarderen en steunen.

Waardering

De kernboodschap van de campagne is dat waardering voor mantelzorgers niet groots of ingewikkeld hoeft te zijn. Een beetje steun – praktisch, emotioneel of mentaal – maakt al een wereld van verschil. Denk aan een keer de boodschappen doen, op de kinderen passen, een maaltijd brengen of gewoon een luisterend oor bieden. Met zulke kleine gebaren laat je voelen: jij staat er niet alleen voor.

Echte verhalen van zes mantelzorgers

In de campagne staan 6 mantelzorgers centraal, ieder met een eigen verhaal, vragen en emoties. Zo is er onder andere aandacht voor een alleenstaande moeder die intensieve zorg verleent, een dochter die zorgt voor haar moeder met een vroeg stadium van Alzheimer, een jonge mantelzorger die school combineert met de zorg voor zijn broertje, en een partner die werk en mantelzorg probeert te balanceren. Hun verhalen laten zien hoe divers mantelzorg is – maar ook hoe belangrijk herkenning en waardering zijn. Via onlinevideo, social media en campagnematerialen komen we dicht bij de leefwereld van mantelzorgers én hun omgeving. Zo nodigen we mensen uit om stil te staan bij wie er in hun buurt, familie of vriendenkring voor iemand zorgt – en wat zij zelf kunnen doen.

‘ZIEN dat zij er voor iemand ZIJN’

Met ‘ZIEN dat zij er voor iemand ZIJN’ wil het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport dat mantelzorgers zich meer gezien, gesteund en gewaardeerd voelen. De campagne laat zien hoeveel zij betekenen voor de mensen voor wie ze zorgen én voor de samenleving als geheel. De oproep aan iedereen is: kijk om je heen, herken mantelzorgers in jouw omgeving en laat merken dat je ziet wat zij doen.

Toolkit voor organisaties en professionals

Betrokken stakeholders, organisaties, gemeenten en professionals die de boodschap van de campagne willen uitdragen, kunnen gebruikmaken van een toolkit met communicatiemiddelen. Deze bevat onder andere beeldmateriaal, teksten en verwijzingen naar de verhalen van de 6 mantelzorgers. Zo kan de campagne eenvoudig worden gedeeld via lokale en (online) kanalen. De campagne is een initiatief van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in samenwerking met MantelzorgNL, Alzheimer Nederland, JMZ Pro, Sociaal Werk Nederland, Strategische Alliantie Jonge Mantelzorg, Actiz, Vilans en Zorgverzekeraars Nederland. Noise Amsterdam heeft dit project op basis van een aanbesteding gewonnen, uitgevoerd en blijft voor de jaren 2026 en 2027 als bureau hieraan verbonden.


Alle gedupeerde ouders hebben de integrale beoordeling doorlopen

Alle ouders in de toeslagenaffaire hebben de uitkomst van hun integrale beoordeling ontvangen. Voor een groot deel van de ouders is daarmee het financiële herstel afgerond. Ook de compensatie van aanvullende schade is vereenvoudigd en verbeterd.

Staatssecretaris Palmen van Herstel en Toeslagen: “De afgelopen tijd hebben we duidelijke stappen gezet in de financiële compensatie voor gedupeerde ouders en hun gezinnen. Voor alle ouders is de integrale beoordeling afgerond. Voor een grote groep ouders is daarmee het financieel herstel ook afgerond. Ouders en hun gezinnen hebben daarmee duidelijkheid welke compensatie zij ontvangen. Ook de compensatie van de aanvullende schade is vereenvoudigd en verbeterd. Nu we zijn aangekomen bij de afrondende fase van de hersteloperatie is het belangrijk om te kijken wat er nog nodig is om ook de laatste ouders voorbij het onrecht te helpen.”

Financieel herstel

Ouders konden zich tot eind 2023 aanmelden voor herstel kinderopvangtoeslag. Ongeveer 69.000 mensen hebben zich gemeld. Met een eerste toets en vervolgens integrale beoordeling (IB) kijkt de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) of en in welke mate een ouder gedupeerd is. Ruim 43.000 zijn erkend als gedupeerde. Zij hebben inmiddels alle onterecht ingevorderde kinderopvangtoeslag terug gekregen. Daarnaast krijgen zij ook een materiele en immateriële compensatie. Voor alle gedupeerde ouders is dat tenminste € 30.000, maar kan deze ook meer bedragen. Daarnaast zijn hun schulden aangepakt, krijgen zij gerichte ondersteuning van gemeenten en gratis rechtsbijstand.

Aanvullende schade

In de integrale beoordeling ontvangen ouders als onderdeel van hun financiële compensatie ook een materiële en immateriële schadevergoeding. Deze bedragen zijn echter niet voor alle ouders voldoende om recht te doen aan de schade die zij hebben ondervonden. Het verlies van bijvoorbeeld een baan, een eigen huis, gezondheid of dierbaar bezit proberen we zo rechtvaardig en ruimhartig mogelijk te compenseren via een van de beschikbare schadeherstelroutes. Vergoeding van hun aanvullende schade vormt voor een aantal gedupeerde ouders het sluitstuk van de financiële compensatie in de hersteloperatie. Ouders kunnen op het centrale aanmeldportaal een aanvraag doen voor aanvullende compensatie. Daarvoor kunnen zij gebruik maken van de MijnHerstel route of de schaderoute van de Stichting Gelijkwaardig Herstel (SGH). Beide routes gaan uit van hetzelfde schadekader en worden beide afgesloten met een vaststellingsovereenkomst (VSO). In totaal hebben 3348 gedupeerde ouders hun gebleken aanvullende schade inmiddels gecompenseerd gekregen. Hiermee is de verwachting dat veel ouders sneller geholpen kunnen worden met de afronding van hun traject voor financiële compensatie.

Commissie Werkelijke Schade

Ongeveer 9000 ouders hebben zich aangemeld bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS) voor behandeling van compensatie voor aanvullende schade. Om deze ouders te helpen worden zij persoonlijk benaderd om hen te informeren over de mogelijkheden om sneller tot compensatie van hun aanvullende schade te komen. Zij kunnen de route kiezen die het beste bij hen past: via SGH of via MijnHerstel. In beide gevallen krijgt een ouder een forfaitair aanbod en wordt erop ingezet om een VSO te sluiten. Mocht het forfaitaire aanbod niet passend zijn, dan is individuele berekening mogelijk.

Integrale behandeling bezwaar

Op dit moment hebben circa 7400 ouders een bezwaar lopen tegen hun integrale beoordeling (IB). Tot op heden is de hersteloperatie zo ingericht dat ouders voor elk van deze onderwerpen te maken hebben met een ander loket binnen de hersteloperatie. Dat is ingewikkeld voor de ouder en kan in de praktijk ook betekenen dat het afhandelen van aanvullende schade later langer duurt. Sommige ouders willen immers pas de schade-VSO ondertekenen nadat hun IB-bezwaar is afgerond. Om deze bezwaren sneller te behandelen gaan we met de ouder in gesprek om te onderzoeken hoe we het beste tegemoet kunnen komen aan zijn of haar bewaar. Om ouders een integrale oplossing te bieden, wordt er in de MijnHerstel route momenteel gewerkt aan de mogelijkheid om het lopende IB-bezwaar gelijktijdig met de behandeling van aanvullende schade op te lossen. Dit moet ervoor zorgen dat alle bezwaren dit jaar behandeld en afgerond zijn.

Brede ondersteuning

Voor steeds meer ouders is het traject van financiële compensatie inmiddels afgerond. Naast financiële compensatie en ondersteuning bij het oplossen van schulden geven veel gedupeerde ouders aan meer nodig te hebben om verder te kunnen met hun leven. Ouders, hun kinderen, erkend ex-toeslagpartners en nabestaanden kunnen, als zij dat willen, brede ondersteuning door gemeenten ontvangen Het doel hiervan is ouders en kinderen te helpen bij het weer oppakken van hun leven. Om de brede ondersteuning te harmoniseren en verbeteren zijn aanvullende afspraken gemaakt met de VNG en bestuurlijk regisseur. Ouders maken samen met de gemeente een plan van aanpak. Dat zorgt er voor dat voor ouders inzichtelijk is wat zij nodig hebben om voorbij het onrecht te komen en hoe de gemeente hen daarbij kan ondersteunen.


Wetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet in internetconsultatie

Als jongeren en ouders ondersteuning nodig hebben, moeten ze snel passende hulp kunnen krijgen. Daarom krijgen gemeenten de verplichting een lokaal team te organiseren waar zij laagdrempelig terecht kunnen met hulpvragen. Het kabinet brengt daartoe het wetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet in consultatie. Dit voorstel maakt deel uit van een breed pakket aan maatregelen uit de Hervormingsagenda Jeugd van Rijk, gemeenten, professionals, jongeren en aanbieders.

Staatssecretaris Tielen (Jeugd, Preventie en Sport): “Te veel jongeren en gezinnen doen op dit moment een beroep op (professionele) jeugdhulp waardoor jongeren niet altijd de juiste hulp krijgen en het stelsel onder druk staat. Ik werk daarom samen met onder andere gemeenten aan een cultuuromslag: minder problematiseren, ondersteuning dichter bij gezinnen organiseren en specialistische jeugdhulp alleen inzetten wanneer dat echt nodig en effectief is. Zo krijgen jongeren sneller de juiste ondersteuning, krijgen gemeenten meer grip en blijft de jeugdhulp betaalbaar en beschikbaar.”

Noodzakelijke maatregelen

Met het wetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet wordt een aantal noodzakelijke maatregelen genomen zodat jeugdhulp zo passend mogelijk wordt ingezet: licht als het kan, zwaar als het moet. Zo wordt iedere gemeente verplicht om een lokaal team te hebben waar inwoners laagdrempelig terechtkunnen. Dit team is het eerste aanspreekpunt voor jongeren en gezinnen – bijvoorbeeld voor vragen over de opvoeding – en kan zelf hulp en ondersteuning bieden. Dit kan op school zijn of in de wijk. Hulp wordt zoveel mogelijk in groepsverband geboden: dat blijkt goed te passen bij de meeste hulpvragen. Het lokale team kijkt samen met jeugdigen en ouders met een brede blik naar wat er precies aan de hand is. Ook stimuleert het ouders om onderliggende problemen aan te pakken.

Samenwerking

Verder wordt de samenwerking tussen scholen en lokale teams verplicht. Ook werkt het team samen met andere domeinen zoals schuldhulpverlening en huis- en jeugdartsen. De positie van deze teams ten opzichte van andere verwijzers wordt versterkt bij het doorverwijzen naar jeugdhulp. Verder wordt geregeld dat lichte hulp voorliggend is aan zwaardere hulp.

Consultatie

Door middel van internetconsultatie kan iedereen suggesties doen voor verbetering van wetsvoorstellen. Dit vergroot de betrokkenheid van burgers, bedrijven en instellingen bij de totstandkoming van wet- en regelgeving.


Wet intrekken Nederlanderschap naar Raad van State

Het moet mogelijk blijven om het Nederlanderschap in te trekken van individuen boven de 18 jaar die zich in het buitenland bij een terroristische organisatie hebben aangesloten en een bedreiging vormen voor de nationale veiligheid. De Rijksministerraad heeft ingestemd met het vragen van advies aan de Raad van State over dit wetsvoorstel. Het intrekken van het Nederlanderschap op de genoemde grond is een al bestaande bevoegdheid, alleen komt dit per 1 maart 2027 te vervallen. Met dit wetsvoorstel wil het kabinet deze bevoegdheid permanent te maken.

Minister Van Weel van Justitie en Veiligheid: “Personen die zich aansluiten bij terroristische organisaties buiten Nederland zijn een gevaar voor onze samenleving. Deze wet zorgt ervoor dat het mogelijk blijft het Nederlanderschap in te trekken, als dat nodig is om de nationale veiligheid te beschermen, zodat zij niet terug kunnen keren naar Nederland. Daarmee bewaken wij onze grenzen proactief en houden wij ons Koninkrijk veilig.”

Gevaar voor het Koninkrijk

Nederlanders die zich in het buitenland aansluiten bij een terroristische organisatie kunnen een bedreiging zijn voor de nationale veiligheid. Zij dompelen zich onder in geweld en werken vaak met wapens en explosieven. Nederland is gebaat bij het voorkomen van de terugkeer van deze personen. Deze wet zorgt er daarom voor dat het mogelijk blijft om het Nederlanderschap in te trekken wanneer zij zich in het buitenland bevinden, om zo terugkeer naar het Koninkrijk te voorkomen. Hiervoor is geen voorafgaande strafrechtelijke veroordeling nodig.

De wet

Door het intrekken van het Nederlanderschap van deze persoon, ontneemt de Nederlandse overheid diegene het recht om terug te keren naar Nederland. Tegelijk met de intrekking wordt deze persoon tot ongewenst vreemdeling verklaard. De intrekking en ongewenstverklaring hebben als resultaat dat legale terugkeer naar Nederland of andere delen van het Koninkrijk onmogelijk is en illegale terugkeer bemoeilijkt wordt. Dit staat los van eventuele strafrechtelijke vervolging van deze personen. 

Het vervolg

De Raad van State zal eerst advies uitbrengen. Nadat de regering het advies heeft verwerkt, wordt het wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer.


Besluit om banken toegang te geven tot de Basisregistratie Personen in consultatie

Om witwassen en terrorisme tegen te gaan, moeten banken gegevens van hun klanten verzamelen via klantonderzoek. Dit is een arbeidsintensief proces voor zowel banken als burgers. Daarom wil het kabinet banken, onder strikte voorwaarden, toegang geven tot de Basisregistratie Personen (BRP), zodat zij zonder extra inspanning van burgers het verplichte onderzoek kunnen uitvoeren. Vanaf vandaag start een openbare internetconsultatie over dit conceptbesluit.

Europese regels over het tegengaan van witwassen en het financieren van terrorisme verplichten banken om gegevens van hun klanten te controleren. Omdat klantonderzoek handmatig gebeurt, en burgers vaak dezelfde documenten meermaals moeten aanleveren, is dit een arbeidsintensief proces voor zowel burgers als banken. Om de benodigde gegevens sneller en veiliger te controleren, wil het kabinet banken, onder strikte voorwaarden, toegang geven tot de Basisregistratie Personen (BRP). De banken mogen de BRP alleen gebruiken om hun particuliere klanten te identificeren en verifiëren. Dit vermindert de administratieve lasten en verkleint de kans op fouten. Het is niet toegestaan voor banken om gegevens uit de BRP voor commerciële doeleinden te gebruiken.

Alleen toegang onder strikte voorwaarden

Om de privacy van burgers te beschermen, gelden strenge voorwaarden. Alleen Nederlandse banken mogen gebruikmaken van deze regeling. Zij moeten daarvoor een verzoek indienen bij de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens (RvIG). De RvIG beoordeelt per bank welke gegevens mogen worden verstrekt, op welk moment en op welke manier. Banken mogen gegevens uit de BRP uitsluitend gebruiken voor het verplichte klantonderzoek. Burgers kunnen altijd opvragen welke instanties hun BRP-gegevens hebben geraadpleegd. Daarnaast zijn banken verplicht openbaar te maken welke maatregelen zij nemen om misbruik te voorkomen. De Autoriteit Persoonsgegevens houdt toezicht op de naleving van deze regels.


Verbod op gezichtsbedekkende kleding bij demonstraties

Relschoppers bedekken tijdens demonstraties te vaak hun gezicht om herkenning te voorkomen. Dit belemmert communicatie en identificatie en kan bedreigend overkomen. Hierdoor is het lastiger om demonstraties probleemloos te laten verlopen en de openbare orde te bewaken. Daarom komt er een landelijk verbod op het dragen van gezichtsbedekkende kleding bij demonstraties.

Met dit wetsvoorstel willen minister Rijkaart van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en minister Van Oosten van Justitie en Veiligheid misbruik van het demonstratierecht tegengaan en het eenvoudiger maken om relschoppers en andere overtreders op te sporen en te vervolgen.

Vrij kunnen spreken

Minister Rijkaart: “Iedereen in Nederland moet zich vrij kunnen uitspreken, demonstreren is een grondrecht. Maar om dat recht goed te kunnen gebruiken, moeten demonstraties wel geweldloos verlopen. We zien dat mensen regelmatig gezichtsbedekkende kleding dragen tijdens demonstraties. Soms met een goede reden, maar vaak ook om bewust te intimideren of te verstoren. Kijk naar de rellen laatst in Den Haag. Nederland is een open samenleving, en daarom demonstreren we ook in openheid. Misbruik gaat ten koste van mensen die hun stem willen laten horen. Juist daarom voeren we dit verbod in.”

Opsporing wetsovertreders

Minister Van Oosten: “De kleine groep die demonstraties misbruikt om te kunnen rellen en vernielen, moet daarvoor gestraft kunnen worden. Want ze maken misbruik van de mogelijkheid om anoniem te zijn bij een demonstratie en daardoor ongestraft weg te kunnen komen met het overtreden van de wet. Een verbod op gezichtsbedekkende kleding helpt bij de opsporing van deze wetsovertreders.”

Uitzondering

Met dit wetsvoorstel geeft het kabinet invulling aan de wens van de Tweede Kamer om een verbod op gezichtsbedekkende kleding bij demonstraties in te voeren. Het verbod geldt voor alle vormen van gezichtsbedekkende kleding, behalve wanneer deze echt nodig is om iemands veiligheid te beschermen of wanneer er andere zwaarwegende persoonlijke redenen zijn. Dit ziet specifiek op situaties waar demonstranten hun gezicht bedekken uit angst voor repercussies uit het buitenland.

Overtreding verbod

Overtreding van het verbod kan gestraft worden met hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede categorie (ten hoogste € 5150). Het strafmaximum is afgestemd op de context van de uitoefening van een grondrecht, waarbij geldt dat de strafbedreiging niet zo zwaar mag zijn dat dit mensen ontmoedigt gebruik te maken van het demonstratierecht (het zogenoemde chilling effect).

Vervolg

Er komt geen nieuwe wet om dit verbod te regelen, maar de Wet openbare manifestaties wordt hiervoor aangepast. Het voorstel hiervoor wordt nu voorgelegd aan de politie, het OM, de Raad voor de rechtspraak, de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, de Nederlandse Orde van Advocaten, het Nederlands Genootschap Burgemeesters, en het College voor de Rechten van de Mens.


Slachtoffers krijgen vaker en sneller schadevergoeding

Het kabinet wil de zogenoemde ongemaximeerde voorschotregeling uitbreiden met een aantal geweldsdelicten. Daarmee wordt de positie van slachtoffers en nabestaanden in het strafproces versterkt. Slachtoffers die recht hebben op een schadevergoeding krijgen hiermee sneller en vaker waar zij recht op hebben. Dit past binnen het hoofdlijnenakkoord, waarin is opgenomen om schadevergoedingen voor slachtoffers beter te regelen.

Staatssecretaris Rutte van Justitie en Veiligheid: “Met deze uitbreiding zorgen we ervoor dat meer slachtoffers van geweldsmisdrijven hun schade volledig voorgeschoten krijgen. Dat geeft slachtoffers en nabestaanden meer zekerheid en erkenning, juist in een periode waarin zij al veel hebben meegemaakt.”

Voorschotregeling

Als de rechter in zijn vonnis een schadevergoedingsmaatregel oplegt, is de zogenoemde voorschotregeling van toepassing. Dat betekent dat de Staat een schadevergoeding voorschiet aan het slachtoffer als de dader deze niet (volledig) betaalt binnen 8 maanden. De Staat blijft het bedrag daarna innen bij de dader. Deze regeling kent een maximum van € 5.000, maar voor seksuele misdrijven en sommige geweldsmisdrijven is dit bedrag ongemaximeerd.

Uitbreiding

Met de uitbreiding worden 7 geweldsdelicten toegevoegd aan deze ongemaximeerde regeling. Denk aan opzettelijke brandstichting, wederrechtelijke vrijheidsberoving, gijzeling of dood door schuld (in het verkeer). Aanleiding hiervoor zijn signalen uit onder meer de Tweede Kamer, slachtofferorganisaties en de strafrechtketen dat slachtoffers van ingrijpende delicten soms buiten de regeling vielen, wat tot schrijnende situaties kon leiden.

Consultatie

Het voorstel tot wijziging gaat nu eerst voor advies in consultatie: burgers, organisaties in de strafrechtketen en deskundigen krijgen de gelegenheid op het voorstel te reageren. De reacties worden gebruikt om het voorstel verder te verbeteren, voordat het aan de Raad van State voor advies wordt voorgelegd.


Minder jongeren in jeugdzorg: staatssecretaris Tielen (Jeugd) zet in op hulp dichtbij gezin

Te veel jongeren en hun gezinnen vragen om (professionele) jeugdzorg. Dat zet het stelsel onder druk en biedt niet iedere jongere passende hulp. Staatssecretaris Tielen (Jeugd) werkt aan een cultuuromslag: minder problematiseren, hulp dichter bij gezinnen en specialistische jeugdzorg alleen inzetten als dat echt nodig en effectief is. Daarom komt het kabinet met het wetsvoorstel Reikwijdte. De belangrijkste maatregel is de verplichting voor gemeenten om met een lokaal team hulp te bieden aan jongeren en gezinnen. De afgelopen periode zijn samen met gemeenten en andere betrokken partijen belangrijke stappen gezet in de uitwerking. Het wetsvoorstel maakt deel uit van een breed pakket aan (lopende) maatregelen uit de Hervormingsagenda Jeugd van Rijk, gemeenten, professionals, jongeren en aanbieders.

Staatssecretaris Tielen (Jeugd, Preventie en Sport): “De ambitie is dat in 2028 niet meer één op de zeven, maar maximaal één op de tien jongeren gebruikmaakt van jeugdzorg. Daar is een cultuuromslag voor nodig waarbij we problemen zo dicht mogelijk bij jongeren en gezinnen oplossen en specialistische jeugdzorg alleen inzetten als dat echt nodig is en een oplossing kan bieden. Zo krijgen jongeren sneller passende hulp, gemeenten meer grip en wordt de jeugdzorg beter houdbaar voor de toekomst”.

Lokale teams die jongeren passend hulp bieden

Door problemen eerder aan te pakken, kan vaak specialistische jeugdzorg worden voorkomen. Daarom moet deze hulp aanwezig zijn in de buurt van jongeren en hun gezin. Het wetsvoorstel regelt dat iedere gemeente een lokaal team heeft waar inwoners op een laagdrempelige manier terecht kunnen, bijvoorbeeld op school of in de wijk. Dit team is het eerste aanspreekpunt voor jongeren en gezinnen, bijvoorbeeld voor vragen over de opvoeding en kan zelf hulp en ondersteuning bieden. Ook wordt onderzocht hoe de positie van deze teams, ten opzichte van andere verwijzers, versterkt kan worden bij het doorverwijzen naar jeugdzorg. Zo krijgen gemeenten meer grip op de instroom.

Passende hulp en betere samenwerking 

Contact met leeftijdsgenoten die hetzelfde meemaken, verkleint eenzaamheid, vergroot het netwerk en daarmee de steun in de omgeving van jongeren. Dit heeft een positief effect. Daarom wordt wettelijk vastgelegd dat hulp in groepsverband voorrang heeft op individuele hulp, tenzij individuele hulp aantoonbaar effectiever of passender is.

Brede blik

Daarnaast wordt nog te vaak jeugdzorg aangeboden terwijl dit (de oorzaak van) het probleem niet aanpakt en het jongeren daardoor ook niet helpt. Het lokale team moet met een brede blik kijken wat er precies aan de hand is en ouders stimuleren onderliggende problemen aan te pakken. Het team werkt, waar nodig, samen met andere domeinen, zoals onderwijs en schuldhulpverlening.  

Duidelijke afbakening van jeugdzorg

Het aantal vormen van hulp dat wordt geboden is de afgelopen jaren fors toegenomen. Daarom zijn duidelijke keuzes nodig. Het wordt mogelijk om wettelijk vast te leggen welke vormen van hulp niet onder de Jeugdwet vallen, bijvoorbeeld omdat zij niet effectief of zelfs schadelijk zijn. Ook worden afspraken verplicht over de duur, intensiteit en kosten van aanvullende jeugdzorg.