Nationale veiligheidstoets op investeringen, fusies en overnames

Het kabinet wil een veiligheidstoets invoeren voor investeringen, fusies en overnames die een risico kunnen vormen voor de nationale veiligheid. De ministerraad heeft ingestemd met de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames (Wet vifo) van minister Blok van Economische Zaken en Klimaat en minister Grapperhaus van Justitie en Veiligheid.

Frank van Summeren, adviseur bij RONT Management Consultants.

De veiligheidstoets geldt voor twee soorten bedrijven in Nederland: vitale aanbieders en ondernemingen die beschikken over sensitieve technologie. Investeringen, fusies en overnames in dit soort ondernemingen kunnen in sommige gevallen namelijk leiden tot risico’s voor de nationale veiligheid. Als de Tweede en Eerste Kamer het wetsvoorstel aannemen wordt de veiligheidstoets ingevoerd voor investeringen vanuit alle landen.

Vitale infrastructuur

Vitale aanbieders zijn bedrijven die vitale processen uitvoeren. Deze zijn zo belangrijk voor de Nederlandse samenleving, dat uitval of verstoring tot grote maatschappelijke ontwrichting kan leiden. Ondernemingen met sensitieve technologie beschikken over bepaalde kennis of informatie over deze technologie die gevolgen kan hebben voor de nationale veiligheid als deze uitlekt. Een kwaadwillende partij zou via een investering bijvoorbeeld zeggenschap kunnen krijgen in een Nederlandse onderneming die hoogwaardige technologie met militaire toepassingen ontwikkelt. Als een ongewenste partij zo’n onderneming overneemt, kan die techniek in verkeerde handen komen en tegen Nederlandse veiligheidsbelangen worden ingezet.

Sensitieve technologie

Zowel investeerders in vitale aanbieders en ondernemingen met sensitieve technologie als deze ondernemingen zelf moeten wijzingen van zeggenschap melden bij het Bureau Toetsing Investeringen (BTI) van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Dat bureau beoordeelt of er een risico ontstaat voor de nationale veiligheid. Blijken er risico’s te zijn, dan kan het BTI voorwaarden verbinden aan de investering en deze in het uiterste geval verbieden.

Sectorspecifieke investeringstoets

Op dit moment bestaan al wettelijke sectorspecifieke investeringstoetsen in de elektriciteits-, gas- en telecommunicatiesector. De Wet vifo geldt voor ondernemingen waar nog geen sectorspecifieke toets voor is en waar wijzigingen van zeggenschap een risico kunnen vormen voor de nationale veiligheid.


Straf doodslag omhoog

De maximale gevangenisstraf voor doodslag gaat omhoog van 15 naar 25 jaar. Daarmee komt die straf weer in redelijke verhouding te staan met de maximale gevangenisstraf voor moord (30 jaar), als alternatief voor de levenslange gevangenisstraf. Het wetsvoorstel dat dit regelt, is ingediend bij de Tweede Kamer door minister Grapperhaus (Justitie en Veiligheid) en minister Dekker (Rechtsbescherming).

Frank van Summeren, adviseur bij RONT Management Consultants en docent op de training casus en procesregie op zorg en veiligheid.

Doodslag is het opzettelijk doden van een ander mens. Doodslag met voorbedachte raad is moord. Doodslag ligt soms heel dicht aan tegen moord. Voor zowel doodslag als moord geldt dat er onherstelbaar leed wordt veroorzaakt bij nabestaanden van het slachtoffer. Het verhogen van het strafmaximum voor doodslag doet meer recht aan de ernst van het misdrijf en geeft rechters de mogelijkheid om ook de ernstigste gevallen passend te bestraffen.


Nieuw Wetboek van Strafvordering beproefd in de praktijk

Het wetsvoorstel voor het nieuwe Wetboek van Strafvordering is recentelijk voor advies naar de Raad van State gestuurd. Het bestaande wetboek is bijna honderd jaar oud en is toe aan integrale vernieuwing. Organisaties in de strafrechtspraktijk, zoals politie en rechtspraak, willen graag alvast enkele onderdelen van het nieuwe wetboek beproeven in de praktijk. Daarom dienen minister Grapperhaus (Justitie en Veiligheid) en minister Dekker (Rechtsbescherming) vandaag een Innovatiewetsvoorstel in bij de Tweede Kamer dat het mogelijk maakt om in een vijftal pilots ervaring op te doen met die nieuwe mogelijkheden.

Frank van Summeren, adviseur bij RONT Management Consultants en hoofddocent op de jaaropleiding integrale aanpak ondermijning van SBO.

De vijf pilots gaan over vernieuwende strafprocesrechtelijke onderwerpen, zodat hier vooruitlopend op het nieuwe Wetboek van Strafvordering alvast ervaring mee kan worden opgedaan. Deze pilots duren maximaal drie jaar. Ze worden door de betrokken ketenorganisaties (politie, bijzondere opsporingsdiensten, Koninklijke marechaussee, Openbaar Ministerie, rechtspraak en advocatuur) gezamenlijk opgezet, in samenspraak met het ministerie van Justitie en Veiligheid. De pilots worden gedurende de looptijd gemonitord en geëvalueerd door het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatiecentrum (WODC).

Innovatiewet

De Innovatiewet bevat bijvoorbeeld bevoegdheden om beter op te treden tegen digitale criminaliteit. Zo mogen opsporingsambtenaren nadat zij telefoons of computers in beslag hebben genomen op basis van deze wet berichten lezen die daarna nog binnenkomen op de apparaten. Ook mag de politie na het moment van beslagneming vanaf deze apparaten een netwerkzoeking verrichten, wat betekent dat zij de cloud-omgeving van een telefoon mogen doorzoeken vanaf het politiebureau. Dat is nu nog niet mogelijk en wel gewenst, omdat het in de praktijk vaak voor komt dat belangrijke informatie voor het onderzoek niet op het apparaat zelf is opgeslagen, maar wel elders in bijvoorbeeld de cloud.

Ook maakt de Innovatiewet het mogelijk om gebruik te maken van audiovisuele opnamen als alternatief voor een schriftelijk proces-verhaal. Zo hoeven bijvoorbeeld verhoren van verdachten bij de politie of de beelden van een winkeldiefstal niet volledig uitgeschreven te worden. Opnamen daarvan zijn samen met een verkort proces-verbaal voldoende en kunnen dienen als bewijs.

Opsporingsbevoegdheden

Het voorstel breidt ook de bevoegdheden van de hulpofficier van justitie uit. Hij krijgt de bevoegdheid om een aantal lichtere opsporingsbevoegdheden uit te oefenen die nu nog zijn voorbehouden aan de officier van justitie. Daarnaast wordt het mogelijk gemaakt dat een rechter tijdens een lopende procedure bij de rechtbank of het hof een belangrijke rechtsvraag (zogenaamde prejudiciële vraag) kan stellen aan de Hoge Raad. Na het antwoord van de Hoge Raad weet iedereen hoe de Hoge Raad erover denkt en kan de rechtbank of het hof meteen de juiste beslissing nemen. Zo wordt voorkomen dat een rechtsvraag pas na einduitspraken van de rechtbank en het hof bij de Hoge Raad komt, en de zaak misschien moet worden overgedaan door een hof.

Mediation

Tot slot wordt een regeling geïntroduceerd voor de manier waarop mediation kan plaatsvinden ná aanvang van het onderzoek op de terechtzitting. Mediation is de bemiddeling tussen verdachte en slachtoffer onder begeleiding van een mediator. Dit gebeurt al in de praktijk, maar het voorstel werkt uit en verheldert welke gevolgen mediation in die situatie heeft.

Effecten vernieuwingen

De ministers informeren de Tweede en Eerste Kamer binnen twee jaar over de effecten van deze vernieuwingen, zodat met de uitkomsten van de pilots rekening kan worden gehouden bij het nieuwe Wetboek van Strafvordering.


Stijging meldingen van discriminatie in 2020, kabinet neemt extra maatregelen

Het aantal meldingen over discriminatie is gestegen in 2020. Bij de politie gaat het om een toename van 12 procent en bij de antidiscriminatievoorzieningen gaat het om een toename van 25 procent ten opzichte van vorig jaar. Dit blijkt uit het landelijk rapport discriminatiecijfers dat in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en de politie is opgesteld.

Frank van Summeren, adviseur bij RONT Management Consultants en docent op de training casus en procesregie op zorg en veiligheid.

Demissionair minister Kajsa Ollongren (BZK): Het afgelopen jaar was een kantelpunt in het maatschappelijk debat over discriminatie. Het aantal meldingen laat zien dat er een grote behoefte is aan een meer centrale aanpak. Met onder meer het aanstellen van een Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme en een Staatscommissie wil het kabinet signalen uit de samenleving snel kunnen omzetten in acties. Hierdoor kan discriminatie, op welke grond dan ook, beter en gerichter aangepakt worden.

Deze toename bleek ook eerder uit de cijfers uit het rapport dat het Landelijk Expertise Centrum Discriminatie (LECD) van het Openbaar Ministerie in mei heeft gepubliceerd.De stijging zou deels verklaard kunnen worden doordat er een grotere meldingsbereidheid was als gevolg van het maatschappelijk debat over racisme en de Black Lives Matter-demonstraties.

Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme

Alleen met een gezamenlijke aanpak kunnen we discriminatie aanpakken. Het kabinet ziet het afgelopen jaar als een kantelpunt in de aanpak, waarbij samenwerking en verbinding centraal staan en stelt daarom een Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme (NCDR) in. De NCDR wordt voor drie jaar ingesteld, met als belangrijkste opdracht het opstellen van een meerjarig nationaal programma met scherpe doelen en een jaarlijks bijgesteld deel, waarin signalen uit de samenleving omgezet worden in concrete doelen.

Staatscommissie

Naast het instellen van een Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme stelt het kabinet nog dit jaar een Staatscommissie in. Deze Staatscommissie zal voor een periode van vier ingesteld worden en krijgt als taak om doorlopend inzicht te bieden in discriminatie bij de overheid en met concrete voorstellen tot verbetering te komen. De Staatscommissie zal de NCDR continu voeden met deze inzichten en voorstellen, die dit kan verwerken in het jaarlijks deel van het Nationaal Programma. Het kabinet heeft de Staatscommissie aangekondigd in de reactie op het rapport ‘Ongekend onrecht’ van de parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag.

Aanpak discriminatie in de maatschappij

Of het nu gaat om de woningmarkt, de arbeidsmarkt, in de zorg, op het internet, in het onderwijs, of in de sport, discriminatie komt in allerlei soorten en maten en in alle domeinen van de maatschappij voor. In de afgelopen jaren is door de verschillende ministeries samen met maatschappelijke organisatie ingezet op het tegengaan van discriminatie. Zo wordt onder meer op de woningmarkt onderzoek gedaan met ‘mystery calls’, loopt er een proef met anoniem solliciteren, worden er op Europees en nationaal niveau nadere afspraken gemaakt met de grote internet platformen over het melden en verwijderen van illegale inhoud, waaronder “hate speech” en is door verschillende ministeries en de KNVB, een plan opgesteld met twintig maatregelen om racisme en discriminatie in het voetbal te voorkomen, te signaleren en te sanctioneren.

Ook heeft het kabinet in totaal 7 miljoen toegevoegd aan het gemeentefonds en BES-fonds. De gemeenten kunnen deze middelen inzetten om de antidiscriminatievoorziening in hun gemeente verder te professionaliseren, zodat de burger sneller en beter geholpen kunnen worden bij hun melding over discriminatie.


Direct verbod op antidemocratische organisaties mogelijk

De Nederlandse democratische rechtsorde is geen vanzelfsprekendheid. Het kabinet werkt daarom voortdurend aan het weerbaar maken van onze samenleving tegen radicale antidemocratische krachten als extremistische organisaties en criminele bendes. Vandaag is daar weer een belangrijk instrument aan toegevoegd; de Eerste Kamer stemde in met het wetsvoorstel van minister Dekker voor Rechtsbescherming dat rechters meer mogelijkheden geeft om antidemocratische en ondermijnende organisaties snel te verbieden en ontbinden.

Frank van Summeren, adviseur bij RONT Management Consultants en hoofddocent op de jaaropleiding integrale aanpak ondermijning van SBO.

Minister Dekker: “De democratische rechtsorde is het fundament onder onze open en tolerante samenleving. De vrijheden in onze samenleving moeten we koesteren, maar ook verdedigen tegen krachten die deze bedreigen. Dat kan om extremistische organisaties gaan, maar bijvoorbeeld ook om motorbendes die onze samenleving ontwrichten met intimidatie, drugscriminaliteit en witwaspraktijken. Met deze wet kan de rechter organisaties die in strijd komen met onze openbare orde sneller en effectiever verbieden.”

Wetswijziging

De wetswijziging is een aanscherping van artikel 2:20 van het Burgerlijk Wetboek, waarmee rechtspersonen ook nu al kunnen worden verboden. De aanscherping maakt de betekenis van dat artikel duidelijker, de toepassing effectiever en de werking sneller. Met behoud van de noodzakelijke waarborgen. Dat betekent dat het Openbaar Ministerie eenvoudiger kan bewijzen dat een organisatie moet worden verboden. Voortaan is concreter omschreven wat in Nederland in strijd is met de openbare orde, en de bewijspositie voor het OM is met de bepaling verlicht. Dat geeft de rechter ook meer houvast om over zo’n verbod te beslissen.

Verbodenverklaring

Het verbodenverklaring van een antidemocratische of ondermijnende organisatie wordt ook effectiever. De rechter kan al tijdens de procedure bevelen activiteiten van een organisatie stop te zetten. Leden die zo’n verbod negeren, zijn strafbaar. De rechter kan voortaan de middelen van de organisatie toebedelen aan de staat, waardoor dit geld niet kan worden gebruikt om de activiteiten in een andere organisatie voort te zetten. En de straf op voortzetting van de organisatie is verdubbeld. Wie na een definitief verbod toch nog doorgaat, krijgt een gevangenisstraf van twee jaar. Dat was één jaar.

Stevig aangepakt

De drijvende krachten achter extremistische en criminele organisaties worden stevig aangepakt. Voorheen lag de nadruk alleen op organisaties zelf. Nu krijgen leidinggevenden van verboden organisaties in principe een bestuursverbod van drie jaar of meer. Dit voorkomt dat zij ongehinderd door kunnen gaan met hun antidemocratische of ondermijnende activiteiten in een andere organisatie.


Eerste Kamer stemt in met nieuwe wet voor burgerschapsonderwijs

De Eerste Kamer heeft ingestemd met de nieuwe wet voor burgerschapsonderwijs op basisscholen en middelbare scholen. Deze wet heeft als doel dat alle scholen leerlingen kennis en respect bijbrengen over de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. De wet gaat in vanaf 1 augustus.

Frank van Summeren, adviseur bij RONT Management Consultants en docent op de training casus en procesregie op zorg en veiligheid.

Burgerschapsonderwijs is al wettelijk verplicht, maar voor veel scholen is het niet duidelijk wat er precies van hen wordt verwacht. Daarom heeft minister Slob (Basis- en Voortgezet Onderwijs) de wettelijke opdracht voor scholen aangescherpt.

Respect voor vrijheden

Minister Slob: “Burgerschap is de manier waarop we met elkaar deelnemen aan de maatschappij. Het is belangrijk dat we dat doen met respect voor elkaar, voor de democratie en de rechtstaat en voor de vrijheden die iedereen heeft. Scholen hebben, naast ouders en verzorgers, een wezenlijke rol om deze waarden aan kinderen en jongeren te leren. Op welke manier ze dat precies doen is aan de scholen zelf, zoals dat past bij de vrijheid van onderwijs. Wel bevat de wet een gemeenschappelijke kern waaraan alle scholen moeten voldoen, dat geeft hen ook duidelijkheid.”

Democratische rechtsstaat

In de wet staat dat kinderen en jongeren kennis moeten vergaren van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat: vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit. Daarbij horen thema’s zoals gelijke behandeling, het verbod op discriminatie en vrijheid van meningsuiting. Ook de schoolcultuur moet in overeenstemming zijn met die waarden.

Naar elkaar luisteren

Daarnaast staat in de wet dat de school een oefenplaats is, waar leerlingen moeten kunnen oefenen met de vaardigheden die ze later nodig hebben om deel te kunnen nemen aan de samenleving. Bijvoorbeeld naar elkaars mening luisteren en daar respectvol op reageren. Juist op school komen leerlingen met verschillende achtergronden elkaar tegen. Daarnaast staat in de wet dat leerling en personeel zich veilig en geaccepteerd moeten weten op school.

Ondersteuning

Scholen kunnen nu al terecht bij de PO- en VO-raad en de stichting School en Veiligheid voor ondersteuning bij hun burgerschapsonderwijs. Deze ondersteuning wordt de komende jaren verder uitgebreid.


Ministerie van VWS wil met Taboeiend meer aandacht voor psychische klachten van jongeren in de klas

Bijna één op de twee Nederlanders krijgt in zijn of haar leven te maken met psychische problemen. Bijvoorbeeld een depressie, een fobie, een trauma, een eetprobleem. In het voortgezet onderwijs heeft zelfs 1 op de 5 jongeren angst- en stemmingsproblemen. Toch praten veel mensen niet over deze psychische problemen. Mensen schamen zich ervoor of zijn bang dat ze niet begrepen worden. Om het bespreekbaar te maken heeft staatssecretaris Paul Blokhuis namens het ministerie van VWS het project Taboeiend van stichting Durf Te Vragen mede mogelijk gemaakt. 

Frank van Summeren, adviseur bij RONT Management Consultants en docent op de training casus en procesregie op zorg en veiligheid.

Praten is het begin van de oplossing

Paul Blokhuis: “Praten is het begin van de oplossing. Want als je met anderen praat ontdek je dat je niet de enige bent met problemen en is het makkelijker professionele hulp te zoeken, als dat nodig is. ”

Taboeiend

De interactieve experience is voor eerste en tweede klassen van het Voortgezet Onderwijs. Door middel van diverse games en video’s leren ze meer over psychische problemen waardoor zij eerder klachten herkennen en hulp kunnen zoeken bij psychische problemen. De experience is ontwikkeld in samenwerking met de instelling Vincent van Gogh voor Geestelijke Gezondheid en met vele experts en jongeren zelf.

Ambassadeurs

YouTubers Dylan Haegens en Marit Brugman zijn oprichter en ambassadeur van de Stichting Durf Te Vragen en weten zelf hoe belangrijk het is om over hun psychische klachten te praten. Dylan heeft een angststoornis gehad en Marit een eetstoornis. Zij maken zich zorgen over de mentale gezondheid van de jeugd. “Wij hopen dat Taboeiend een zaadje kan planten zodat jongeren gaan praten over hun mentale gezondheid. En dat het net zo normaal wordt om naar de huisarts te gaan met een psychische klacht als met een gebroken been”.

De experience maakt onderdeel uit van de ‘Hey het is oké’ van het ministerie van VWS dat het taboe rondom psychische klachten wil doorbreken.  Ga voor meer informatie over Taboeiend naar de website van Stichting Durf Te Vragen. Ga voor meer tips om psyshische klachten zelf bespreekbaar te maken naar de website van Hey, het is oké.


Aanpak ondermijnende criminaliteit versterkt in verdragen met VAE

Met twee bilaterale verdragen slaan Nederland en de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) de handen ineen in de aanpak van georganiseerde ondermijnende criminaliteit. Minister Grapperhaus van Justitie en Veiligheid schrijft aan de Tweede Kamer dat met de VAE ambtelijk overeenstemming is bereikt over wederzijdse rechtshulp in strafzaken, de aanpak van criminele geldstromen en over uitlevering van verdachten van misdrijven. De ondertekening van de verdragen wordt nu voorbereid. Daarna kunnen de verdragen ter goedkeuring aan de Tweede Kamer worden voorgelegd.

Frank van Summeren, adviseur bij RONT Management Consultants en hoofddocent op de jaaropleiding integrale aanpak ondermijning van SBO.

“Toenemende internationale samenwerking is cruciaal in de aanpak van georganiseerde ondermijnende criminaliteit. Alleen zo sluiten we het net om criminelen die nog denken zich schuil te houden door simpelweg de grens over te gaan en dachten hun met misdaad verkregen geld weg te sluizen naar andere landen. Ik ben de autoriteiten van de VAE zeer erkentelijk voor de goede samenwerking de afgelopen jaren. De twee verdragen zullen de operationele samenwerking intensiveren en onze gezamenlijke strijd tegen internationale ondermijnende criminaliteit verder versterken.’’ aldus minister Grapperhaus.

Het gaat om een verdrag over wederzijdse rechtshulp en om een verdrag over uitlevering. Hierdoor kan door Nederland en de VAE meer worden samengewerkt in de aanpak van georganiseerde criminaliteit, zoals moord en doodslag, wapen- en drugshandel, witwassen en criminele geldstromen. Het betreft onder meer afspraken over horen van verdachten, getuigen, slachtoffers of deskundigen, het onderzoeken van bankrekeningen en het in beslag nemen van goederen en winsten die afkomstig zijn uit illegale praktijken. Ook kunnen verdachte personen makkelijker worden uitgeleverd voor een strafproces of voor het ondergaan van een reeds opgelegde straf. 


Culturele interventies kunnen bijdragen aan voorkomen radicaliseren

Erasmus Universiteit Rotterdam/RISBO voerde in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een overkoepelende evaluatie uit naar negen culturele interventies die zijn gesteund door het Fonds ZOZ. Het ging om interventies met als doel de weerbaarheid van jongeren te vergroten, zodat zij minder gevoelig zijn voor extremistische en polariserende boodschappen.

Frank van Summeren, adviseur bij RONT Management Consultants en docent op de training casus en procesregie op zorg en veiligheid.

Soorten interventies

Alle interventies bestaan uit een theatervoorstelling of een educatief programma over uiteenlopende thema’s zoals vooroordelen, radicalisering, burgerschap en democratie.

Naast een theatervoorstelling of educatief programma is in enkele interventies gebruik gemaakt van workshops en gesprekken voor en na de theatervoorstelling.Hiermee kunnen de deelnemers geactiveerd worden en beter participeren. Dit vergroot de effectiviteit van de interventie.

Doel interventies

Door stil te staan bij thema’s zoals vooroordelen, radicalisering, burgerschap en democratie wordt geprobeerd:

  • stereotypen te doorbreken;
  • bij te dragen aan positieve identiteitsvorming;
  • taboes bespreekbaar te maken;
  • en ruimte te creëren voor herkenning, verbinding en een positieve houding tegenover anderen.

Samenvatting conclusies onderzoek

Het onderzoek van Erasmus Universiteit Rotterdam/RISBO is opgebouwd uit een literatuurstudie en een meta-evaluatie van negen theaterproducties. Ook voorziet het rapport in een evaluatiekader dat door (lokale) beleidsmakers ingezet kan worden, bij de evaluatie van culturele interventies gericht op de preventie van radicalisering. Ook kan dit kader als input dienen voor de beoordeling van nieuwe subsidieaanvragen binnen deze context.

  • Alle onderzochte interventies kunnen invloed hebben op het vergroten van de weerbaarheid van jongeren, waarmee sprake kan zijn van verminderde vatbaarheid voor radicalisering.
  • Met name de interventies die gericht zijn op het versterken van verbinding met de samenleving hebben een positieve uitwerking op jongeren. Deze interventies lijken erin te slagen om vooroordelen weg te nemen, zaken van verschillende kanten te bezien en empathie te realiseren voor mensen met een andere (etnische) achtergrond.
  • Het vergroten van de individuele weerbaarheid komt in de praktijk moeilijker tot stand. Waar geprobeerd wordt om handelingsperspectieven te vergroten of jongeren tot actie over te laten gaan om hun eigen leven te veranderen, lijkt dit vaak niet goed van de grond te komen. Wel hebben sommige interventies bijgedragen aan het bespreekbaar maken van gevoelige dagelijkse thema’s als discriminatie en cultuurverschillen en bewustwording van de eigen rol binnen de samenleving.

Vervolg

Deze interventies lijken een toegevoegde waarde op te leveren als het gaat om:

  • Het versterken van de binding in de samenleving.
  • Jongeren met verschillende perspectieven kennis te laten maken.

Het rapport wordt daarom aangeboden aan lokale beleidsmakers (zowel bij openbare orde en veiligheid als het sociaal domein) via de Toolkit Evidence-Based Werken. Zo kunnen zij de bevindingen uit het rapport lezen en/of gebruiken.


Onder voorwaarden eerder celmateriaal afnemen voor DNA in strafproces

Met stevige waarborgen kan van een verdachte eerder in het strafproces celmateriaal worden afgenomen. Wordt de verdachte veroordeeld, dan kan vervolgens een DNA-profiel worden gemaakt dat wordt opgeslagen in de DNA-databank voor strafzaken. Dat schrijft minister Grapperhaus van Justitie en Veiligheid aan de Tweede Kamer. Randvoorwaarden voor dit conservatoir afnemen van celmateriaal zijn onder meer een zorgvuldige inrichting van het werkproces en ondersteunende ICT-infrastructuur. Het belang van DNA-onderzoek in strafzaken is groot. Het gebruik daarvan helpt de juiste verdachte in het vizier te krijgen en strafrechtelijk aan te pakken.

Frank van Summeren, adviseur bij RONT Management Consultants en docent op de training casus en procesregie op zorg en veiligheid.

Op dit moment wordt volgens de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (Wet DNA-V) celmateriaal afgenomen zodra iemand is veroordeeld tot een sanctie in de zin van die wet voor een feit waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is. In de praktijk wordt van 87 procent van de personen die verplicht zijn celmateriaal af te staan, ook daadwerkelijk hun celmateriaal afgenomen en hun DNA-profiel in de databank opgenomen. Omdat celmateriaal pas na veroordeling wordt afgenomen, blijft een deel echter onvindbaar.

Commissie-Hoekstra

Met de Tweede Kamer is de laatste jaren diverse keren gesproken over de werking van de Wet DNA-V. In het bijzonder naar aanleiding van de rapporten van de commissie-Hoekstra, die werd ingesteld na de tragische moord op twee personen door Bart van U., te weten oud-minister Els Borst en zijn zus Loïs. Door de Kamer is de wens uitgesproken om in een eerder stadium van het strafproces celmateriaal af te nemen. Minister Grapperhaus heeft naar aanleiding daarvan, na onder meer een toets op de juridische houdbaarheid, te kennen gegeven dat hij bereid is het conservatoir afnemen van celmateriaal wettelijk te introduceren. Daarvoor wilde hij eerst nog goed laten onderzoeken aan welke voorwaarden moet worden voldaan om tot een goede uitvoering te komen. Dat onderzoek is onlangs afgerond.

Wetswijziging

Op basis van de resultaten van dat onderzoek kondigt minister Grapperhaus nu een wetswijziging aan die het mogelijk maakt celmateriaal af te nemen van iedere aangehouden verdachte die na verhoor of na beëindiging van de inverzekeringstelling in vrijheid wordt gesteld, maar nog wel verdachte blijft van een feit waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is, of bij vordering van een inbewaringstelling. Hiermee kan worden bereikt dat van 99 procent van de mensen die worden veroordeeld in de zin van de Wet DNA-V, ook daadwerkelijk een DNA-profiel in de databank kan worden opgenomen.

Hoewel celmateriaal in een eerder stadium wordt afgenomen, betekent dit niet dat dit direct mag worden gebruikt voor DNA-onderzoek. De huidige verplichtingen in de Wet DNA-V worden dus niet uitgebreid. Het celmateriaal wordt na afname opgeslagen en daaruit mag pas na een veroordeling, als de officier van justitie een bevel op grond van die wet heeft gegeven, een DNA-profiel worden gemaakt. Als de betrokkene niet meer als verdachte kan worden aangemerkt, wordt het celmateriaal direct vernietigd.

Voorwaarden uitvoering

Om eerder celmateriaal af te nemen moet aan veel voorwaarden worden voldaan. Zo is een goede ICT-voorziening bijvoorbeeld een absolute randvoorwaarde om meer celmateriaal af te kunnen nemen, te verwerken en zo nodig te vernietigen. Daarnaast is het van belang dat één centrale onafhankelijke overheidsorganisatie de verantwoordelijkheid krijgt voor de opslag en het beheer van het afgenomen celmateriaal, die geen belang heeft bij het gebruik van het celmateriaal in het strafproces.

De uitvoering voor het conservatoir afnemen wordt nu verder uitgewerkt. Tegelijkertijd bevordert minister Grapperhaus dat een wetswijziging tot stand komt. Daarbij benadrukt de minister dat zorgvuldigheid voorop staat.

“Een zo foutloos mogelijke uitvoering acht ik een absolute randvoorwaarde voor het conservatoir afnemen van celmateriaal. De integriteit van een nieuwe wettelijke systematiek valt of staat met het kunnen garanderen van de veiligheid van de opslag, het beheer, het transport en de vernietiging van het conservatoir afgenomen celmateriaal’’, aldus Grapperhaus.