Strafuitsluiting voor verblijf hulpverleners en journalisten in terroristisch gebied

De Nederlandse en Europese samenleving moet beschermd worden tegen het gevaar van terugkeerders uit door terroristische organisaties gecontroleerde gebieden. Verblijf daar gaat in veel gevallen gepaard met (desnoods gedwongen) vereenzelviging met het gedachtengoed van de organisaties die daar de dienst uitmaken. Daarom is op dit moment een wetsvoorstel aanhangig bij de Eerste Kamer waarin dat verblijf strafbaar wordt gesteld.

Frank van Summeren, adviseur bij RONT Management Consultants.

Maar dit mag niet verhinderen dat humanitaire hulpverleners en journalisten naar het gebied kunnen afreizen om humanitaire hulp te bieden of nieuws te vergaren. Daarom wordt voor hen een strafuitsluitingsgrond geïntroduceerd voor verblijf in terroristisch gebied. Dat schrijft minister Grapperhaus van Justitie en Veiligheid in een brief aan de Eerste Kamer.

Ontheffingsmogelijkheid

Het is cruciaal dat humanitaire hulpverleners en journalisten hun belangrijke werk in alle gebieden in de wereld kunnen doen. In het wetsvoorstel dat verblijf in door terroristische organisaties gecontroleerde gebieden strafbaar stelt en nu in de Eerste Kamer ligt, is daarom een generieke ontheffingsmogelijkheid via een toestemmingsprocedure geregeld. Naar aanleiding van inbreng uit het parlement, van journalisten en van hulpverleningsorganisaties is echter besloten een afzonderlijk wetsvoorstel voor te bereiden. In dat wetsvoorstel is een strafuitsluitingsgrond opgenomen voor Nederlanders die uitsluitend in het gebied verblijven om activiteiten te verrichten als hulpverlener werkzaam voor een onpartijdige humanitaire organisatie, of als journalist of publicist in het kader van nieuwsgaring. Daarmee kunnen deze personen verblijven in aangewezen gebieden zonder dat zij daarvoor strafbaar zijn. En hoeven ze vooraf geen toestemming/ontheffing te vragen. Zo kunnen hun onafhankelijkheid en neutraliteit beter gewaarborgd worden. Die kunnen noodzakelijk zijn voor een goede en veilige uitoefening van hun werk.

Strafuitsluitingsgrond

Voor personen die belang hechten aan meer rechtszekerheid vooraf, bijvoorbeeld omdat zij twijfelen over of zij een beroep kunnen doen op de strafuitsluitingsgrond, geldt dat zij ook nog altijd gebruik kunnen maken van de toestemmingsprocedure. Hiermee kan een goede balans gevonden worden tussen enerzijds het belang van onafhankelijke en veilige hulpverlening en journalistiek en anderzijds het vereiste van rechtszekerheid.

Wetsvoorstel

De vormgeving van de strafuitsluitingsgrond zal in de komende tijd nader worden uitgewerkt. Daarbij zal afstemming gezocht worden met alle relevante partijen, waaronder humanitaire hulpverleningsorganisaties, vertegenwoordigers van de journalistiek en het Openbaar Ministerie. Vervolgens zal dit wetsvoorstel de formele wetgevingsprocedure doorlopen. Vanwege de veiligheid van de samenleving en om verdere vertraging te voorkomen, verzoekt de minister de Eerste Kamer om het wetsvoorstel waarin de strafbaarstelling is opgenomen separaat voort te zetten. Het zal pas in werking treden als ook de strafuitsluitingsgrond is aangenomen door beide Kamers.


Ouders meer aanspreken op voorkomen van strafbaar gedrag kinderen

De verantwoordelijkheid om jongeren op het rechte pad te houden ligt in de eerste plaats  bij de ouders. De opvoeding is cruciaal bij het voorkomen van strafbaar gedrag van kinderen. Minister Dekker (Rechtsbescherming) heeft de mogelijkheden verkend om ouders die op dit punt tekortschieten, meer aan te spreken op hun verantwoordelijkheid: betere opvoedingsondersteuning voor ouders die meewerken en dwangmaatregelen voor ouders die zich afzijdig houden. Dat schrijft de minister aan de Tweede Kamer op basis van de verkenning ‘Jeugdcriminaliteit en opvoeding’, die voortvloeit uit het actieplan Wapens en Jongeren om de stijging van het aantal steekincidenten aan te pakken.

Frank van Summeren, adviseur bij RONT Management Consultants en docent op de training casus en procesregie op zorg en veiligheid.

Minister Dekker: “Minderjarige kinderen die worden opgepakt met messen op zak of die ’s avonds laat op straat de boel kort en klein slaan. Je vraagt je soms af waar de ouders zijn. We bieden hulp bij de opvoeding. Maar het is ook nodig ouders nadrukkelijker te wijzen op de verantwoordelijkheid voor hun kinderen.” Dat laatste kan bijvoorbeeld door ouders aan te spreken op de financiële gevolgen van strafbaar gedrag van hun kind.

Meer ondersteuning

Vrijwillige opvoedondersteuning biedt mogelijkheden om te voorkomen dat op een later moment zwaardere maatregelen ingezet moeten worden, zo blijkt ook uit de Britse aanpak met een zogenoemd parenting contract. Dit is een vrijwillige overeenkomst tussen de ouders en de hulpverlening. In deze overeenkomst verklaren de ouders in te stemmen met bepaalde voorwaarden die gedurende een bepaalde periode van kracht zijn, zoals het deelnemen aan coaching of een cursus opvoedondersteuning. 

Meer dwang

Een andere mogelijke maatregel, is het verruimen van de aansprakelijkheid van ouders voor schade die hun kinderen veroorzaken. Nu zijn ouders aansprakelijk voor schade veroorzaakt door hun kinderen tot en met 15 jaar. Voor schade door kinderen van 16 en 17 jaar zijn alleen de kinderen zelf aansprakelijk. De mogelijkheid om schade te verhalen op ouders van deze oudere kinderen biedt een extra stok achter de deur om ouders hun verantwoordelijkheid te laten nemen.

Het vergroten van de financiële consequenties voor de ouders kan ook via de zogenoemde last onder dwangsom. De last onder dwangsom wordt inmiddels toegepast in een aantal gemeenten die daarmee willen voorkomen dat een kind voor de tweede keer met een wapen de straat op gaat. Uitbreiding naar andere gemeenten ligt voor de hand.

Om medewerking van opvoeders te krijgen, kan ook  de zogenoemde parenting order zoals ze die in Engeland kennen worden overwogen. Na de voorwaardelijke veroordeling van een kind kan de rechter in zijn beslissing ook ouders verplichten mee te werken aan bepaalde voorwaarden, zoals hulp accepteren bij de opvoeding.

Een volgend kabinet zal de knoop moeten doorhakken over de invoering en precieze invulling van de maatregelen. Minister Dekker gaat in de tussentijd door met het uitwerken van de plannen.


Geweldgebruik opsporingsambtenaren beoordeeld volgens nieuw wettelijk kader

In het Wetboek van Strafrecht komt een apart delict te staan voor opsporingsambtenaren die schuldig zijn aan het schenden van de geweldsinstructie, met lichamelijk letsel of de dood tot gevolg. De Eerste Kamer stemde in met het wetsvoorstel geweldsaanwending opsporingsambtenaar van minister Grapperhaus (Justitie en Veiligheid), dat een wettelijk kader introduceert voor de beoordeling van geweldgebruik door opsporingsambtenaren, zoals politieagenten, officieren van de Koninklijke Marechaussee en Boa‘s die bevoegd zijn geweld te gebruiken. De wet regelt naast een aparte strafbaarstelling ook de introductie van een feitenonderzoek en behandeling door één rechtbank van zaken tegen opsporingsambtenaren die geweld hebben gebruikt.

Frank van Summeren, adviseur veiligheid bij RONT Management Consultants en docent op de training casusregie voor de aanpak van ondermijning.

In het huidig wettelijk stelsel komt de unieke positie van de opsporingsambtenaar onvoldoende tot uiting. Anders dan bij burgers, verwacht de overheid van opsporingsambtenaren dat zij onder voorwaarden geweld gebruiken als onderdeel van het uitoefenen van hun taak, bijvoorbeeld om de situatie weer veilig te maken. Een nieuw wettelijk kader is daarom speciaal gericht op de taak en bevoegdheid van de opsporingsambtenaar. Het uitgangspunt van het optreden van een opsporingsambtenaar is in alle gevallen de-escalatie. Als het echt niet anders kan, en na daartoe gewaarschuwd te hebben, kan de opsporingsambtenaar geweld toepassen. Over elke vorm van geweld moet de agent verantwoording afleggen. Als geweld tot (zwaar) lichamelijk letsel of de dood heeft geleid, wordt altijd onderzoek verricht door de Rijksrecherche of de afdeling VIK (Veiligheid, Integriteit en Klachten) van de politie.

Aparte strafbaarstelling

Als opsporingsambtenaren zich niet aan hun geweldsinstructie houden (dat zijn regels die gelden voor het gebruik van geweld), kunnen zij hiervoor gestraft worden. Dat nieuwe delict heet ‘schenden van de geweldsinstructie’). De straffen lopen op tot maximaal 3 jaar.

Daarnaast blijft het mogelijk om opsporingsambtenaren te vervolgen voor de al bestaande geweldsdelicten, zoals mishandeling en doodslag. De maximale straffen voor geweldsmisdrijven zijn voor iedereen in Nederland gelijk. Dus als een agent voor mishandeling of doodslag wordt gestraft kan hij dezelfde straf krijgen als ieder ander die daarvoor door de strafrechter zou worden veroordeeld.

Behandeling door één rechtbank

Verder regelt de wet dat zaken tegen opsporingsambtenaren die geweld hebben gebruikt in de toekomst worden behandeld door de rechtbank Midden-Nederland. Zo wordt ervoor gezorgd dat de betrokken rechters zich kunnen specialiseren in dit soort zaken.

Introductie feitenonderzoek

Tenslotte wordt het feitenonderzoek geïntroduceerd. In het feitenonderzoek kan onderzoek worden gedaan naar geweldgebruik door opsporingsambtenaren, zonder dat de opsporingsambtenaar daarbij direct als verdachte wordt aangemerkt. Zodat er voldoende rekening gehouden kan worden met de unieke positie van de opsporingsambtenaar in het wettelijk stelsel. Binnen dit kader zal onderzoek worden gedaan door de rijksrecherche naar geweldgebruik dat ernstig letsel tot gevolg heeft gehad of waarbij het vuurwapen is gebruikt. Wanneer uit het onderzoek blijkt dat de opsporingsambtenaar zich niet heeft gehouden aan de geweldsinstructie, kan het openbaar ministerie een regulier strafrechtelijk onderzoek starten. Dan wordt de betrokken opsporingsambtenaar als verdachte aangemerkt.


Standplaatsen woonwagens: gemeenten ontwikkelen beleid, aantallen blijven nog gelijk

Het aantal standplaatsen voor woonwagens is met ruim 8.800 de afgelopen twee jaar vrijwel gelijk gebleven. Wel zijn meer gemeenten bezig met de in 2018 afgesproken inzet om met het lokale woonbeleid te zorgen voor voldoende standplaatsen. De komende twee jaar verwachten zij met ongeveer 150 extra standplaatsen te komen. Voor de aanpak van knelpunten in gemeenten komt het Rijk met een nieuw ondersteuningsprogramma. Dat schrijft minister Ollongren (BZK) bij de ‘Herhaalmeting Standplaatsen 2020’ die zij vandaag naar de Tweede Kamer stuurde.

Frank van Summeren, adviseur bij RONT Management Consultants en hoofddocent op de cursus omgang met woonwagenlocaties in de praktijk.

De nieuwe meting volgt de resultaten van het ‘Beleidskader gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid’. Het Rijk ontwikkelde het beleidskader in overleg met de VNG, Aedes en vertegenwoordigers van de woonwagengemeenschap in 2018 na oordelen van onder andere het College voor de Rechten van de Mensen en de Nationale Ombudsman. Die stelden dat het niet laten meewegen van de behoefte aan standplaatsen of het verminderen van de aantallen in strijd is met het recht op gelijke behandeling en geen recht doet aan de culturele identiteit van woonwagenbewoners. Met het beleidskader kunnen gemeenten toetsen of het beleid voldoet aan de mensenrechten van woonwagenbewoners en of het hen voldoende rechtszekerheid biedt.

Resultaten

Ruim 70 gemeenten melden vorderingen bij het maken van nieuw beleid voor standplaatsen. Uit de reacties blijkt dat er in de komende twee jaar zo’n 150 standplaatsen extra staan gepland. De resultaten van de meting zijn voorgelegd aan bewoners. Zij waarderen de concrete stappen van een aantal gemeenten, maar betreuren het dat er nog geen toename is van het aantal plekken. Minister Ollongren schrijft de Tweede Kamer dat zij deze teleurstelling begrijpt. Zij meldt dat gemeenten en woningcorporaties het ontwikkelen van het standplaatsenbeleid ingewikkeld vinden. Het grondgebruik van een standplaats is relatief groot en de realisatie van een standplaats met woonwagen is in veel gevallen duurder dan de bouw van een woning in de sociale huur. Sommige gemeenten melden dat het contact met bewoners stroef verloopt.

Extra maatregelen

Minister Ollongren stelt in overleg met de VNG een ondersteuningsprogramma op. Verder publiceert de VNG met steun van het ministerie een wegwijzer met daarin de stappen die een gemeente kan zetten om aan het beleidskader te voldoen. Naar de kosten van standplaatsen en woonwagens komt een onderzoek zodat lokale partijen in hun overleg meer objectieve gegevens bij de hand hebben. De minister wijst erop dat gemeenten voor standplaatsen en woonwagens een beroep kunnen doen op het budget van 50 miljoen euro dat zij voor de huisvesting van specifieke doelgroepen vrij heeft gemaakt. Met de maatregelen voert de minister de motie Öztürk uit die opriep tot overleg met gemeenten voor voldoende extra standplaatsen.


Ministerraad benoemt adviescollege toekomstbestendig stelsel bewaken en beveiligen

De ministerraad heeft op voorstel van minister Grapperhaus van Justitie en Veiligheid ingestemd met het instellen van het adviescollege toekomstbestendig stelsel bewaken en beveiligen. Als voorzitter van het Adviescollege is de heer mr. J.G. Bos benoemd, de andere benoemde leden zijn de heer mr. J.J. van Eck en mevrouw M.A. Berndsen-Jansen. Deze benoeming is een toezegging aan de Tweede Kamer om een onafhankelijke commissie naar het stelsel bewaken en beveiligen te laten kijken en voorstellen te laten doen op welke wijze het stelsel toekomstbestendig gemaakt kan worden om blijvend het hoofd te bieden aan huidige en toekomstige dreigingen.

Frank van Summeren, adviseur veiligheid bij RONT Management Consultants en docent op de training casusregie voor de aanpak van ondermijning.

Het huidige stelsel bewaken en beveiligen is in 2002 ingericht. Het doel van het stelsel is het voorkomen van (terroristische) aanslagen op personen, objecten en diensten. In het stelsel is geregeld hoe op basis van informatie over dreiging en risico tot beveiligingsmaatregelen wordt besloten. Bij bewaken en beveiligen zijn veel partijen betrokken: politie, OM, lokale besturen, inlichtingen- en veiligheidsdiensten, ministeries en de NCTV. De verantwoordelijkheid voor het stelsel is namens de minister van Justitie en Veiligheid belegd bij de NCTV.

In het kader van het brede offensief tegen ondermijnende criminaliteit investeert het kabinet de komende jaren structureel in de versterking van het stelsel. Het goed functioneren van het stelsel vraagt echter niet alleen om voldoende capaciteit, maar ook om kwaliteitsontwikkeling en kennisborging. Daarbij is het van belang om, in lijn met de ingezette kwaliteitsverbeteringen binnen het stelsel, ook naar het functioneren van het stelsel als geheel en de wijze waarop deze is ingericht te kijken.


Kabinet stelt ruim € 600 miljoen extra beschikbaar voor jeugdzorg

Het kabinet stelt voor 2021 € 613 miljoen beschikbaar aan gemeenten voor het oplossen van de acute problematiek in de jeugdzorg. Die afspraak hebben het kabinet en de VNG gemaakt. Met dit geld komt er o.a. ruimte om de crisiscapaciteit in de jeugd-ggz uit te breiden en wachttijden aan te pakken. Daarnaast is afgesproken dat gemeenten en Rijk aan de slag gaan met maatregelen om de structurele houdbaarheid van de uitvoering van de Jeugdwet te verbeteren.

Frank van Summeren, adviseur bij RONT Management Consultants en docent op de training casus en procesregie op zorg en veiligheid.

Het geld komt bovenop de eerder toegezegde € 300 miljoen voor 2021. Ook ontvingen gemeenten eerder in totaal € 95,5 miljoen uit steunpakketten voor jongeren in het kader van corona, om laagdrempelige mentale ondersteuning te bieden, sociale activiteiten mogelijk te maken en kwetsbare doelgroepen te ondersteunen. Samen gaat het dus om ruim € 1 miljard.

Druk verlichten

Staatssecretaris Blokhuis (VWS): “Het kabinet erkent dat de druk op gemeenten, onder andere door de coronacrisis, fors is toegenomen. Het is van groot belang dat jeugdigen tijdig de zorg krijgen die zij nodig hebben. Ik ben blij dat we in overleg met de gemeenten tot afspraken zijn gekomen die de druk op de korte termijn verlichten. Maar dit is pas het begin. Het jeugdstelsel is op de lange termijn onhoudbaar en daarom is het nodig dat we uitgaven beter beheersbaar maken. Een belangrijke, gezamenlijke opgave.”

Acute knelpunten aanpakken

Het geld wordt ingezet om een aantal acute knelpunten in de jeugdzorg aan te pakken. Zo wordt de crisiscapaciteit in de jeugd-ggz tijdelijk uitgebreid, om beter aan de grotere zorgvraag, die mede door corona is ontstaan, te voldoen. Een deel van het geld wordt ingezet om de wachttijden voor specialistische jeugdzorg in de regio aan te pakken en – in regio’s waar geen sprake is van wachttijden – te voorkomen. Gemeenten en Rijk werken een wachttijdaanpak uit, waarin ook wordt ingezet op het verbeteren van het oppakken van complexe casuïstiek. Verder is geld beschikbaar om kinderen, jongeren en gezinnen die nu vastzitten in het systeem van de jeugdbeschermingsketen per direct te helpen.

Beheersbaarheid van het jeugdstelsel

Om jongeren die dat nu en in de toekomst nodig hebben passende zorg te bieden, is het nodig om de beheersbaarheid van het jeugdstelsel te vergroten. Het Rijk en gemeenten zijn hier mee bezig en zullen dit samen verder intensiveren in de vorm van een aantal maatregelen. Het gaat om het stimuleren van tariefdifferentiatie en standaardisatie van de uitvoering, het versmallen van de medische verwijsroute door enkel te verwijzen naar gecontracteerd aanbod en het breder invoeren van een praktijkondersteuner jeugd-ggz bij de huisarts. Door dit laatste kunnen meer jongeren laagdrempelig in de huisartsenpraktijk geholpen worden en is voor hen een verwijzing naar gespecialiseerde GGZ-zorg niet nodig.

Fundamentele keuzes

Om het jeugdstelsel op de lange termijn beheersbaar te maken zijn fundamentele keuzes nodig, bijvoorbeeld over de reikwijdte van de Jeugdwet en de beleidsvrijheid en rol van gemeenten in de uitvoering. Het is aan een nieuw kabinet om hierover te besluiten. Daarbij gaat het om een combinatie van maatregelen en structureel extra geld.


Verdachten voortaan verplicht aanwezig in rechtszaal

Slachtoffers of nabestaanden moeten de kans hebben om een verdachte te vertellen wat het misdrijf bij hen heeft aangericht. Verdachten van ernstige zeden- en geweldsmisdrijven moeten daarom verplicht aanwezig zijn op de zitting en bij de uitspraak in hun strafzaak. Dat wordt mogelijk door de Wet uitbreiding slachtofferrechten van minister Dekker voor Rechtsbescherming, waar de Eerste Kamer mee heeft ingestemd.

Frank van Summeren, adviseur bij RONT Management Consultants en docent op de training casus en procesregie op zorg en veiligheid.

Nu is het aan verdachten zelf om te bepalen of ze aanwezig zijn bij hun rechtszaak. In landen als Duitsland en Frankrijk is het verplicht voor verdachten van zwaardere delicten om aanwezig te zijn. Met deze wetswijziging wordt dat ook voor Nederland geregeld. Voor de verdachte zelf is het ook van belang dat hij meemaakt wat op de zitting gebeurt en wat procesdeelnemers zeggen. Als de verdachte aanwezig is kunnen rechter en officier van justitie de verdachte zelf ook ondervragen. Dat draagt bij aan de waarheidsvinding omdat zij zelf een indruk krijgen van de persoon van de verdachte. Minister Dekker: “Het kan voor slachtoffers uitermate pijnlijk zijn als ze hun verhaal moeten doen tegen een lege stoel. Zeker bij ernstige zaken is het daarom niet meer dan normaal dat een verdachte tijdens de zitting gewoon aanwezig is.“

Uitbreiding spreekrecht voor stieffamilie en bij tbs

Stieffamilie van een overleden slachtoffer krijgt voortaan ook spreekrecht. Zo komen ook de nabestaanden van kinderen uit een samengesteld gezin aan het woord. Het gaan dan niet alleen om stiefouders, maar ook stiefbroers en -zussen. Het spreekrecht zal op een vast moment tijdens de terechtzitting waar de strafzaak wordt behandeld plaats vinden. Namelijk voorafgaand aan het requisitoir van de officier van justitie. Zo kan de officier daar rekening mee houden bij het formuleren van de strafeis. Slachtoffers of nabestaanden krijgen tevens spreekrecht tijdens de tbs-verlengingszitting. Zo kunnen zij zelf tegen de rechter vertellen wat de terugkeer van de dader in de samenleving met hen doet, en waarom zij een contact- of straatverbod willen. Dit kan dan meewegen in de bijzondere voorwaarden die aan de voorwaardelijke beëindiging van tbs met dwangverpleging kunnen worden verbonden.

Uitbreiding voorschotregeling schadevergoeding

De nieuwe wet regelt ook dat de voorschotregeling voor slachtoffers en nabestaanden wordt uitgebreid. Nu kan de overheid al het resterende bedrag aan schadevergoeding voorschieten aan slachtoffers van misdrijven, als de dader het zelf niet (volledig) binnen 8 maanden heeft betaald. Die mogelijkheid wordt uitgebreid naar slachtoffers van alle strafbare feiten, zodat daar niet alleen misdrijven maar ook overtredingen onder vallen.


VWS steunt tientallen landelijke initiatieven voor jeugd in coronatijd

Met het Steunpakket Welzijn Jeugd, aangekondigd in de Kamerbrief van dinsdag 13 april, steunt het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport tientallen landelijke initiatieven die aansluiten bij de behoeften van jongeren op het gebied van hun sociaal en mentaal welzijn in coronatijd. Het grootste deel van dit steunpakket gaat naar gemeenten voor lokale initiatieven. De landelijke initiatieven zijn bedoeld om de lokale aanpak te versterken. Het pakket ondersteunt initiatieven op het gebied van laagdrempelige mentale ondersteuning, sociale activiteiten en begeleiding voor specifieke doelgroepen. Jongeren zijn zelf actief betrokken bij de selectie van de initiatieven.

Frank van Summeren, adviseur bij RONT Management Consultants en docent op de training casus en procesregie op zorg en veiligheid.

Staatssecretaris Blokhuis (VWS) bezocht vandaag één van de initiatieven, @ease: “We zien dat jongeren veel mentale druk ervaren door de coronacrisis. Het is belangrijk dat zij daarmee ergens terecht kunnen, om te voorkomen dat hun zorgen zich ontwikkelen tot ernstigere klachten. Bij @ease laten ze zien hoe dit op een laagdrempelige manier kan. Geen wachtlijsten, iedereen kan gewoon op elk moment binnenlopen voor een gratis en anoniem gesprek over bijvoorbeeld studiestress, eenzaamheid of somberheid. Een luisterend oor bieden kan al het verschil maken, maar het is juist ook mooi hoe er wordt samengewerkt met lokale zorgpartners om passende hulp te vinden als dat nodig is. Vanuit het steunpakket willen we dit soort initiatieven versterken, om de coronaschade op het welzijn van jongeren te beperken.”

Mentale ondersteuning

Om jongeren laagdrempelige mentale ondersteuning te bieden is recent de nieuwe supportlijn ‘Alles Oké?’, speciaal voor jongvolwassenen, gelanceerd met steun vanuit het Steunpakket Welzijn Jeugd. Ook komt er een campagne om aandacht te vragen voor spanningen thuis. Voor enkele initiatieven, waaronder Join Us, die zich richten op het verminderen en bespreekbaar maken van eenzaamheid onder jongeren, worden extra middelen beschikbaar gesteld. Ten slotte gaat het voortgezet, middelbaar en hoger onderwijs meer aandacht besteden aan de mentale weerbaarheid van jongeren, in samenhang met het Nationaal Programma Onderwijs.

Sociale activiteiten

Het kabinet heeft de afgelopen periode het welzijn van jeugd zwaar mee laten wegen bij de versoepelingen van coronamaatregelen en zal dat ook de komende maanden blijven doen. Continu wordt gekeken hoe belangrijke sociale activiteiten voor jeugd tot 27 jaar, zoals onderwijs en sport, op een veilige manier door kunnen gaan. Bovenop de middelen die gemeenten hebben ontvangen om lokale activiteiten voor jongeren te organiseren, maakt VWS onder andere mogelijk dat de succesvolle Winter Games worden verlengd naar de Summer Games en verbreed naar jongeren tot 27 jaar.

Begeleiding specifieke groepen

Voor sommige groepen is aanvullende begeleiding nodig. Zo worden voor jongeren met een chronische beperking extra sociale activiteiten, workshops en masterclasses georganiseerd. Voor jongeren in de jeugdhulp die behoefte hebben aan een vertrouwenspersoon wordt de capaciteit bij het AKJ tijdelijk uitgebreid. En voor jongeren met een licht verstandelijke beperking en hun ouders wordt gewerkt aan extra online ondersteuning. Verder wordt in samenwerking met jongerenwerk, onderwijs en Halt ingezet op betere ondersteuning van jongeren in achterstandswijken. Tot slot komt een impuls voor de Jeugdgezondheidszorg voor ouders voor wie het lastig is hun kinderen in deze periode te zien worstelen.

Jongeren betrokken

Om tot de best mogelijke invulling te komen is het steunpakket vanaf de start vormgegeven met jongeren. Jongerenorganisaties hebben voorstellen ingediend, een diverse groep jongeren heeft feedback geleverd op voorgestelde initiatieven en de Nationale Jeugdraad heeft VWS geadviseerd over de voorstellen. VWS heeft deze adviezen zwaar meegewogen bij de invulling van het steunpakket.


Dreigingsbeeld NCTV: Aanslag in Nederland voorstelbaar, geen aanwijzingen voorbereiding aanslag

Er zijn op dit moment in Nederland personen die radicaliseren of sterk geradicaliseerd zijn en een dreiging (kunnen) vormen op de nationale veiligheid. Momenteel zijn er geen aanwijzingen dat personen in Nederland een aanslag voorbereiden. Wel is het voorstelbaar dat een eenling overgaat tot het plegen van aanslag. De afgelopen jaren zijn aanslagen in Europa veelal door islamistische en jihadistische alleenhandelende daders gepleegd, bij wie extremistisch gedachtegoed soms gepaard kan gaan met psychosociale of psychiatrische problemen. De aanslagen in Frankrijk en Oostenrijk in het najaar van 2020 passen in het beeld van de dreiging die kan uitgaan van individuen. Daarom blijft het dreigingsniveau op 3 van de 5 staan. Dat blijkt uit het 54ste Dreigingsbeeld van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV).

Frank van Summeren, adviseur bij RONT Management Consultants en docent op de training casus en procesregie op zorg en veiligheid.

Nederlandse jihadistische beweging

De belangrijkste terroristische dreiging in Nederland komt nog altijd vanuit de Nederlandse jihadistische beweging. Deze dreiging lijkt in 2020 iets afgenomen in vergelijking met eerdere jaren. In Nederland is deze beweging zowel sociaal als ideologisch gefragmenteerd en ontbeert charismatisch leiderschap, hiërarchie of een sterke structuur. De NCTV stelt vast dat de druk van repressieve overheidsmaatregelen, geleid heeft tot afgenomen motivatie om activiteiten te organiseren. De geweldsdreiging blijft aanwezig omdat binnen de beweging aanslagen op Nederland nog altijd als legitiem middel worden gezien. Deze dreiging kan ook weer toenemen door bijvoorbeeld het vrijkomen van personen van een Terroristenafdeling (TA), terugkeerders of externe ontwikkelingen in binnen- en buitenland. De komende jaren zijn bepalend voor de jihadistische beweging: indien ze verder desintegreert kan dat leiden tot krimp en een minder ontvankelijke omgeving voor potentieel gevaarlijke jihadisten die uit gevangenschap terugkeren in de samenleving.

Ondermijnende boodschap van enkele informele salafistische lesinstituten

In Nederland bieden salafistische centra regelmatig informele lessen aan. Dit lesaanbod bevat leerstellingen waarin uitsluiting van en intolerantie, haat en afkeer jegens andersdenkenden en andersgelovigen besloten ligt. De NCTV vindt dergelijke lessen met name zorgelijk wanneer die bestemd zijn voor kinderen en andere kwetsbare groepen. Deze intolerante, afkerige boodschap kan op termijn in potentie ook de ‘verticale’ dimensie van de democratische rechtsorde (de relatie tussen burgers en overheid) ondergraven. Hoewel het salafisme binnen de moslimgemeenschap slechts een kleine minderheid vormt, blijft het lesaanbod van andere islamitische stromingen achter. Dit betekent dat het salafisme in feite een disproportionele invloed heeft op de moslimgemeenschap.

Rechts-extremisme

Veelal jonge getroebleerde Nederlanders kunnen zich aangetrokken voelen tot de groeiende internationale rechts-extremistische internetwereld die op kleine schaal in het Nederlands doorklinkt in heimelijke digitale groepen. De mogelijkheid dat een extreemrechts georiënteerde alleenhandelende dader in Nederland een aanslag pleegt is voorstelbaar. Bovendien zijn er personen die vanuit rechts-extremistische, maar ook vanuit anti-overheidshoek, soms (online) dreigen met ernstig geweld. Tegelijkertijd ziet de NCTV dat dit nog niet concreet geworden is.

Onrust ten tijde van COVID-19

Met dit DTN is ook de fenomeenanalyse “De verschillende gezichten van de coronaprotesten” gepubliceerd. Hierin wordt vastgesteld dat binnen de coronaprotesten van afgelopen jaar tot op heden relatief weinig gedragingen als extremistisch zijn geduid. Dat neemt niet weg dat er wel degelijk zorgen bestaan. In het afgelopen ‘corona-jaar’ is in Nederland sprake van wisselwerking tussen een activistische bovenlaag die in de openbare ruimte demonstreert en een radicale onderstroom die ageert tegen de coronamaatregelen. Hierdoor is een context ontstaan waarbinnen de drempel om tot extremistische gedragingen te komen is verlaagd. De aanhoudende coronamaatregelen kunnen met name een trigger zijn voor buitenwettelijk gedrag van potentieel gewelddadige eenlingen (PGE). Thans is er voornamelijk sprake van verstoringen van de openbare orde. De fenomeenanalyse is opgesteld in afstemming met de Nationale Politie en AIVD.


Versteviging van de onafhankelijke positie van deurwaarders

Deurwaarders doen belangrijk werk voor onze rechtsstaat. Ze zorgen er bijvoorbeeld voor dat uitspraken van rechters uitgevoerd worden, zodat mensen die in hun recht staan ook echt hun recht krijgen. Het is van belang dat deurwaarders dit werk onafhankelijk kunnen doen. Zo kunnen ze rekening houden met de belangen van alle partijen, bijvoorbeeld van schuldeisers en van mensen met schulden. Op die manier krijgen schuldeisers hun rekeningen netjes betaald en voorkomt de overheid dat mensen met schulden dieper in de problemen raken.

Frank van Summeren, adviseur bij RONT Management Consultants en docent op de training casus en procesregie op zorg en veiligheid.

Kosten beperken

De afgelopen jaren hebben deurwaarders de kosten voor mensen met schulden zoveel mogelijk proberen te beperken en rekening te houden met hun situatie. Tegelijkertijd is het werk van deurwaarders ingewikkelder geworden. Zij hebben flink geïnvesteerd om hun werk beter te kunnen doen. De overheid zet daarom een aantal stappen om enerzijds de kosten voor mensen met schulden ook in de toekomst vast te stellen en beperkt te houden, en anderzijds de onafhankelijkheid van deurwaarders te kunnen garanderen en ze in staat te stellen om hun belangrijke werk goed te kunnen blijven doen.

Onnodige handelingen voorkomen

Een belangrijke eerste stap vooruit is het beter regelen van de manier waarop deurwaarders geld verdienen, door prijsafspraken met opdrachtgevers te verbieden die niet in het belang zijn van mensen met schulden. Zo wordt voorkomen dat deurwaarders in de verleiding komen dat zijzelf – of hun opdrachtgevers – extra geld kunnen verdienen door onnodig extra handelingen te verrichten. En daarmee voorkomen we weer een hogere rekening voor mensen met schulden. Een tweede stap is dat de tarieven van deurwaarders aangepast worden aan het ingewikkelder worden van hun werk. Zo dragen schuldenaren bij aan het geld innen door deurwaarders. Op die manier krijgt de schuldeiser waar hij recht op heeft en betaalt de persoon met schulden wat hij kan. Op verzoek van de Tweede Kamer gaat deze aanpassing in vanaf 1 juli 2021.

Onafhankelijkheid verstevigen

Beide aanpassingen gaan zo hand in hand en verstevigen de onafhankelijke positie van deurwaarders. Dit is juist voor mensen met schulden van groot belang, omdat de deurwaarders door die onafhankelijkheid goed in staat zullen zijn om met hun situatie rekening te houden.