Nieuwe Wetboek van Strafvordering voor advies naar Raad van State

In het Wetboek van Strafvordering staan de spelregels voor de opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten. Het wetboek is van wezenlijk belang voor het goed functioneren van de rechtstaat en biedt de noodzakelijke basis voor zowel criminaliteitsbestrijding als rechtsbescherming van burgers. De afgelopen jaren is gewerkt aan een nieuw Wetboek van Strafvordering omdat het huidige wetboek uit 1926 is verouderd en na ongeveer 150 wijzigingen een lappendeken is geworden. Het gemoderniseerde wetboek is een toekomstbestendig wetboek dat voor mensen toegankelijk is, voorziet in een evenwichtig stelsel van rechtswaarborgen en in de praktijk werkt voor de honderdduizend professionals in de strafrechtketen. De ministerraad heeft op voorstel van minister Grapperhaus van Justitie en Veiligheid en minister Dekker voor Rechtsbescherming ingestemd het wetsvoorstel voor het nieuwe Wetboek van Strafvordering aan de Raad van State voor advies voor te leggen.

Frank van Summeren, adviseur veiligheid bij RONT Management Consultants en docent op de training casusregie voor de aanpak van ondermijning.

Nieuwe opsporingsbevoegdheden

Het nieuwe wetboek is techniekonafhankelijk opgeschreven, zodat het wetboek bij nieuwe technologische ontwikkelingen niet steeds aangepast hoeft te worden. Het bevat nieuwe bevoegdheden om beter op te treden tegen nieuwe vormen van digitale criminaliteit. Het gaat bijvoorbeeld om de netwerkzoeking na inbeslagneming van een smartphone of laptop (opsporingsambtenaren mogen in de toekomst ook netwerken doorzoeken vanaf het politiebureau, nu mag dat alleen vanaf de plek van de doorzoeking) en het bevel data-analyse (de politie mag aan providers vragen om bewerkte data, in plaats van enkel ruwe data zoals nu). Verder krijgen de regels voor onderzoek aan smartphones een heldere wettelijke basis.

Waarborgen privacy

Ook voor de nieuwe opsporingsbevoegdheden wordt gewaarborgd dat in een strafrechtelijk onderzoek alleen een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer wordt gemaakt als dat noodzakelijk en gerechtvaardigd is. Het uitoefenen van bevoegdheden moet in redelijke verhouding staan tot het beoogde doel (proportionaliteit) en is alleen toegestaan als het doel niet op een andere, minder ingrijpende manier kan worden bereikt (subsidiariteit). In het nieuwe wetboek worden deze algemene rechtsbeginselen van proportionaliteit en subsidiariteit duidelijk benoemd en expliciet beschermd; in het bestaande wetboek is dat niet het geval.

Betere positie slachtoffers

Een belangrijk uitgangspunt in het Wetboek van Strafvordering, nu en straks, is dat de opsporing van strafbare feiten gebeurt op een manier die recht doet aan de belangen van het slachtoffer. Het nieuwe wetboek voorziet bijvoorbeeld in een duidelijker regeling voor slachtoffers die aangifte hebben gedaan en willen klagen als politie en het Openbaar Ministerie besluiten geen onderzoek in te stellen. Ook komt er een betere regeling voor slachtoffers die willen kennisnemen van het strafdossier.

Kortere doorlooptijden

Door het nieuwe wetboek kunnen rechtszaken sneller afgehandeld worden. Er komt meer nadruk te liggen op het voorbereidend onderzoek dat voorafgaat aan de behandeling van een strafzaak op de rechtszitting. De rechter-commissaris neemt de onderzoeksbeslissingen tot het moment dat de officier van justitie de procesinleiding heeft ingediend. Dat betekent: geen driemaandelijkse pro-formazittingen meer, snellere beslissingen en sneller uitvoeren van onderzoekswensen.

Goede voorbereiding verdediging

De advocaat krijgt de mogelijkheid in een eerder stadium van de zaak een actievere rol te vervullen. Gedurende het hele opsporingsonderzoek, tot aan de inhoudelijke zitting toe, kan de verdediging de rechter-commissaris benaderen met onderzoekswensen. Ook moet de officier van justitie uiterlijk drie maanden nadat de gevangenhouding van een verdachte is bevolen de verdachte en de rechter-commissaris informeren over de stand van het onderzoek. De verdacht krijgt dan zoveel mogelijk inzage in de processtukken die er al zijn verzameld. Zo krijgt hij de kans om zijn verdediging beter voor te bereiden.

Volgende stap

De ministerraad heeft ermee ingestemd het wetsvoorstel voor advies aan de Raad van State te zenden. De tekst van het wetsvoorstel en van het advies van de Raad van State worden openbaar bij indiening bij de Tweede Kamer.


EU stemt in met rol online verhuurplatforms in aanpak toeristische verhuur

De wet Toeristische Verhuur, die uitwassen van toeristische verhuur aanpakt, wordt per 1 juli uitgebreid met regels voor verhuurdersplatforms. Zij mogen in gemeenten waar een registratieplicht geldt, geen advertenties publiceren zonder registratienummer. Hierdoor krijgen gemeenten een beter zicht op de adressen en personen die verhuren aan toeristen. De maatregel is getoetst door de Europese Commissie en gaat op 1 juli 2021 in.

Frank van Summeren, adviseur bij RONT Management Consultants en docent op de training casus en procesregie op zorg en veiligheid.

Online platforms als AirBNB, VRBO en Booking.com spelen een grote rol bij de toeristische verhuur van woonruimte, omdat vrijwel al het aanbod via dergelijke platforms verloopt. Daarom wilde de Tweede Kamer in de nieuwe wet ook deze platforms de wettelijke taak geven om enkel advertenties te publiceren met een registratienummer en om aanbieders te informeren over de geldende wet- en regelgeving.

Gemeenten hoeven nu niet meer bij elke advertentie zonder registratienummer het platform afzonderlijk te verzoeken om de gegevens van de aanbieder. Daarnaast wordt het zo voor de burger duidelijker dat zij geen advertenties kunnen plaatsen zonder registratienummer indien deze verplichting geldt in een gemeente. Hiermee wordt voorkomen dat burgers die niet op de hoogte zijn van de geldende lokale regelgeving of zich daar bewust niet aan willen houden, toch een advertentie zonder registratienummer kunnen plaatsen op een online platform.

Toestemming EU

Het invoeren van deze wettelijke verplichting kan niet zonder de toestemming van de Europese Commissie. Platforms als AirBNB, VRBO en Booking.com vallen door jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie onder de zogenaamde Richtlijn elektronische handel. Deze richtlijn kent grote economische vrijheden toe aan online platforms, waarbij het slechts in bepaalde gevallen mogelijk is om hen nationale regels op te leggen. Met het akkoord van de EU is Nederland de eerste lidstaat die deze procedure succesvol heeft doorlopen.

Minister Ollongren: “De Europese Commissie geeft hiermee een duidelijk signaal af dat ook verhuurdersplatforms een verantwoordelijkheid hebben in het tegengaan van overlast en verdringing op de woningmarkt. Daar ben ik blij mee en het is een mooie aanvulling op de diverse strengere maatregelen die gemeenten met de recente Wet toeristische verhuur van woonruimte tot hun beschikking hebben gekregen.”

Registratieplicht

Sinds begin dit jaar kunnen gemeenten waar schaarste op de woningmarkt is of waar de leefbaarheid van een wijk onder druk staat, verhuurders verplichten om een registratienummer aan te vragen. Dit nummer moet de verhuurder nu vermelden bij elke advertentie op platforms zoals AirBnB, Booking.com en VRBO. Dit geeft gemeenten meer zicht op de adressen en personen die verhuren aan toeristen.

Als gemeenten de registratieplicht hebben ingevoerd, kan de gemeenteraad vervolgens bepalen dat een woonruimte een maximaal aantal nachten per jaar toeristisch verhuurd mag worden om de druk op de woningmarkt te verminderen of de leefbaarheid te bevorderen. Daarbij kan een meldplicht per verhuring ingesteld worden. In uitzonderlijke situaties kan een gemeente een vergunningplicht invoeren.

Signaleert de gemeente dat het maximaal aantal dagen is bereikt of overschreden, dan kan de gemeente het verhuurplatform verzoeken de woning op niet boekbaar te zetten. Ook is het mogelijk een verhuurverbod op te leggen als aanbieders de regels herhaaldelijk overtreden.


Wet Kansspelen op afstand treedt in werking

De wet Kansspelen op afstand treedt in werking. Met deze wet worden online kansspelen in Nederland gereguleerd. Daarnaast gelden er vanaf vandaag ook scherpere regels voor aanbieders van risicovolle kansspelen om verslavingspreventie te bevorderen. De wetswijziging wordt uitgevoerd om kansspelverslaving te voorkomen, consumenten te beschermen en kansspel gerelateerde fraude en criminaliteit te voorkomen.

Frank van Summeren, adviseur veiligheid bij RONT Management Consultants en docent op de training casusregie voor de aanpak van ondermijning.

Honderdduizenden Nederlanders gokken nu nog online bij illegale, buitenlandse aanbieders. Deze aanbieders voldoen niet aan de Nederlandse eisen en staan niet onder toezicht van de Kansspelautoriteit. Er is daardoor geen toezicht op kansspelverslaving. Ook kunnen spelers het slachtoffer worden van oneerlijk spelaanbod en fraude en criminaliteit, zoals witwassen.

De kansspelwetgeving is per vandaag aangepast om online kansspelen in Nederland te reguleren. Dit betekent dat de Kansspelautoriteit onder strikte voorwaarden Nederlandse en buitenlandse aanbieders een vergunning verleent voor het aanbieden van online kansspelen in Nederland.

De Kansspelautoriteit ziet erop toe dat de aanbieders zich houden aan de regels en grijpt in als dat nodig is. Ook aanbieders die zonder vergunning online kansspelen aanbieden worden aangepakt door de Kansspelautoriteit. 

Vanaf 1 april 2021 treedt een aantal zaken in werking:

  • Aanbieders van online kansspelen kunnen een vergunning aanvragen bij de Kansspelautoriteit voor het aanbieden van online kansspelen in Nederland;
  • De Kansspelautoriteit kan beter optreden tegen illegaal kansspelaanbod. Ze kan bijvoorbeeld bindende aanwijzingen geven aan organisaties als reclamebureaus, mediabedrijven en betaaldienstverleners zoals banken om te zorgen dat illegale aanbieders geen gebruik meer kunnen maken van deze diensten;
  • Casino’s en speelautomatenhallen mogen spelers tijdens het spelen geen bonussen aanbieden.
  • Beroepssporters en bekende personen die populair zijn onder jongeren mogen niet ingezet worden om reclame te maken voor kansspelen om hen niet te stimuleren om te gokken.
  • Casino’s en speelautomatenhallen moeten met advies van ervarings- en verslavingsdeskundigen bepalen wanneer ze ingrijpen bij spelers die verslaafd dreigen te raken en op wat voor manier zij dit doen. Dit leggen ze vast in hun verslavingspreventiebeleid.

Vanaf 1 oktober 2021 kunnen aanbieders na het verkrijgen van een vergunning door de Kansspelautoriteit hun spelaanbod aan consumenten aanbieden. Vanaf dat moment kunnen spelers dus deelnemen aan legale online kansspelen. Dit betekent dat de regels voor reclame-uitingen, het verslavingspreventiebeleid en het tegengaan van verslaving vanaf dat moment ook gelden voor online aanbieders van kansspelen. Onder andere de volgende maatregelen gelden vanaf 1 oktober 2021:

  • Reclames en bonussen voor goksites mogen, net als bij casino’s en speelautomatenhallen, niet gericht zijn op jongeren tot 24 jaar, mensen met psychische of gokproblemen of mensen met een verstandelijke beperking.
  • In casino’s en speelautomatenhallen en op kansspelwebsites moet worden bijgehouden hoe vaak iemand komt spelen. Dit vormt voor de aanbieder, in combinatie met andere indicatoren, een beeld van het speelgedrag.
  • Spelers kunnen opgenomen worden in het Centraal Register Uitsluiting Kansspelen (CRUKS). Dit is een register voor spelers die problematisch speelgedrag vertonen. Spelers die in dit register staan kunnen gedurende 6 maanden niet deelnemen aan online of fysieke kansspelen.

Veiligheid kinderen in Caribisch Nederland beter geregeld

De veiligheid van kinderen staat altijd voorop. Juist binnen een gezin. Dat moet duidelijk zijn, zowel in Europees Nederland als in Caribisch Nederland (Bonaire, Sint Eustatius en Saba). Daarom wordt aan het Burgerlijk Wetboek BES toegevoegd dat ouders verantwoordelijk zijn voor de veiligheid van het kind. En dat er geen geestelijk of lichamelijk geweld gebruikt mag worden bij het opvoeden van een kind. Ook het kind vernederend behandelen is niet toegestaan. Dat staat al zo in het Europees Nederlandse Burgerlijk Wetboek.

Frank van Summeren, adviseur bij RONT Management Consultants en docent op de training casus en procesregie op zorg en veiligheid.

Het wetsvoorstel dat hetzelfde regelt voor de BES is vandaag ingediend bij de Tweede Kamer door minister Dekker (Rechtsbescherming) en staatssecretaris Paul Blokhuis (Volksgezondheid, Welzijn en Sport). Dit past bij het Bestuursakkoord aanpak huiselijk geweld en kindermishandeling Caribisch Nederland 2021-2024 tussen het ministerie van VWS en de besturen van de BES-eilanden.

In de wet wordt duidelijk dat alle vormen van geweld in de opvoeding verboden zijn. Bijvoorbeeld, een ‘pedagogische’ tik, gewelddadige of bedreigende woorden, of lichamelijke of geestelijke verwaarlozing. Het stevig beetpakken van een kind om gevaar te voorkomen, bijvoorbeeld om een kind weg te trekken bij een gevaarlijke situatie, is wel toegestaan. Deze wetswijziging kan zo gesprekken op gang brengen over hoe ouders kinderen kunnen opvoeden zonder geweld. Het kan ook ruimte geven om daar met familie, vrienden, andere ouders of met hulpverlening over te praten. Het wetsvoorstel draagt daarmee bij aan het voorkomen van kindermishandeling. Kindermishandeling was overigens al strafbaar in Caribisch Nederland op basis van het Wetboek van Strafrecht BES.

De regels in het Burgerlijk Wetboek BES gelden niet alleen voor ouders, maar ook voor andere mensen die een kind verzorgen en opvoeden. Zoals een voogd of pleegouders, maar ook grootouders of ooms en tantes die feitelijk een kind opvoeden en verzorgen. De zorg voor een kind blijft ook buiten huis een verantwoordelijkheid van de ouders. Als de ouders merken dat hun kinderen mishandeld en misbruikt worden door anderen, moeten zij actie ondernemen om dit te stoppen.

Daarnaast past het afzien van geweld in de opvoeding binnen de pedagogische visies die door de besturen in Caribisch Nederland met de lokale organisaties worden vastgesteld. De eilanden steunen dan ook dat dit in een wet wordt opgeschreven.


Startschot Taskforce Onze hulpverleners veilig

Met een actieprogramma wil de Taskforce geweld en mishandeling van hulpverleners terugdringen en Nederlanders ervan doordringen dat agressief gedrag richting hulpverleners nooit wordt getolereerd. De politie, de gemeenten als werkgever van de boa’s, de brandweer, het ministerie Justitie en Veiligheid, het OM en de wetenschap werken hieraan samen.

Frank van Summeren, adviseur bij RONT Management Consultants en docent op de training casus en procesregie op zorg en veiligheid.

Minister Grapperhaus: “Agressie en geweld tegen hulpverleners komt te vaak voor in onze samenleving. Het afgelopen jaar is agressie en geweld tegen politiemensen en tegen andere mensen met een publieke taak met zo’n vijftien procent toegenomen. Niet alleen worden hulpverleners in hun werk bedreigd, agressieplegers weten de hulpverleners ook steeds vaker in hun privéleven te raken. Dat is mij een doorn in het oog. Daarom besloot ik een Taskforce in te stellen om geweld tegen hulpverleners tegen te gaan. Het verheugt mij dat de Taskforce Onze hulpverleners veilig aan de slag is.”

Helaas is het hele jaar door geweld tegen hulpverleners een terugkerend onderwerp maar in coronatijden is het inmiddels aan de orde van de dag: Dreigen met ‘Ik wacht je op’, uitschelden en in het gezicht hoesten. Voorzitter van de Taskforce Marja van Bijsterveldt: “Wij begrijpen wanhoop of onmacht, maar dreigen, schelden en fysiek geweld richting onze hulpverleners is onacceptabel en mogen we ook nooit normaal gaan vinden. Laten we stáán voor onze hulpverleners die zich elke dag met grote toewijding inzetten. We moeten met z’n allen de norm versterken: respect voor onze hulpverleners!”

De Taskforce Onze hulpverleners veilig gaat de komende twee jaar aan de slag met een programma met drie actielijnen

Actielijn 1: De sociale norm versterken

De maatschappij lijkt – te vaak – weg te kijken van mensen die verbaal en fysiek agressief zijn tegen publieke professionals. Dit moet anders. We willen dat onze hulpverleners hun werk veilig kunnen doen. Onder meer door nog duidelijker te communiceren wat hulpverleners doen, waarom ze dat doen en mogen doen, en wat de rechten én de plichten van burgers zijn.

De Taskforce benadrukt dat de burger zelf ook een belangrijke bijdrage kan leveren om agressie en geweld tegen te gaan, de maatschappelijke verruwing te stoppen en te handelen als dat veilig kan.

Via de jeugd in scholen, verenigingen en jongerencentra verwacht de Taskforce de bewustwording en het gedrag te verbeteren. De Taskforce wil met de Stichting TegenZinloosGeweld lagere scholen benaderen om respect voor elkaar, met wie we leven, ook voor onze hulpverleners aan te moedigen. Er wordt ook gekeken naar andere initiatieven om jongeren op een positieve manier te bereiken.

Actielijn 2 – Veilig werkgeverschap

De werkgevers hebben een verantwoordelijkheid voor een veilige werkomgeving zodat hulpverleners zich gehoord, begrepen, gesteund en geholpen voelen. Agressie en geweld horen niet bij het werk, dat moet duidelijk zijn voor alle medewerkers. Dat vraagt om een duidelijke gedeelde organisatienorm en heldere protocollen die daarop gericht zijn. 

naast is training, opleiding en coaching nodig, zodat hulpverleners in dreigende situaties (nog beter) escalatie en geweld kunnen voorkomen.

We gaan de goede ervaringen van politie, boa’s en brandweer met opleidingen, training en coaching in kaart brengen en helpen zo de werkgevers om hun medewerkers beter voorbereid de straat op te laten gaan.

Ook kan de meldings- en aangiftebereidheid bij hulpverleners omhoog. Geweld moet altijd worden gemeld en dit moet zo eenvoudig mogelijk zijn. Belangrijk daarbij is ook dat de opvang en nazorg van slachtoffers en het thuisfront goed zijn geregeld. Die zorgplicht na een incident moet vanzelfsprekend zijn.

Actielijn 3 – Agressie voorkomen en vervolgen

Om geweld te voorkomen richt de Taskforce zich op omstanders en mensen in de directe omgeving van potentiële daders. We gaan op zoek naar een handelingsperspectief voor deze mensen. Hiervoor is eerst nader onderzoek nodig. Ook zal onderzocht worden welke mogelijkheden er – naast communicatie – zijn om de groep potentiële daders te verkleinen.

Slachtoffers van geweld en agressie hebben rechten waarmee ze het strafproces kunnen beïnvloeden, zoals het afleggen van een slachtofferverklaring. Ook buiten het strafrecht zijn schadeverhaal en gebiedsverboden mogelijk. Te veel hulpverleners zijn teleurgesteld over de uitkomsten van een melding of aangifte. De Taskforce gaat actief op zoek naar verbetermogelijkheden, omdat dat bijdraagt aan het herstel.


Ministeries en VNG zetten scenario voor de toekomst van de kind- en gezinsbescherming neer

Als het aan de ministeries van Justitie en Veiligheid (J&V) en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) ligt, gaat de jeugdbeschermingsketen er in de toekomst anders uitzien. Het scenario dat zij aan de Tweede Kamer hebben gestuurd, beschrijft hoe kind- en gezinsbescherming over vijf tot tien jaar zo georganiseerd zou kunnen zijn dat kwetsbare kinderen en gezinnen veel sneller de passende hulp en bescherming krijgen.

Frank van Summeren, adviseur bij RONT Management Consultants en docent op de training casus en procesregie op zorg en veiligheid.

De partijen zien een aantal structurele problemen in de manier waarop de jeugdbeschermingsketen nu is georganiseerd. Zo zijn er meerdere organisaties betrokken bij de kinderen en gezinnen die niet goed op elkaar aansluiten.

Tijdige bescherming en hulp

Kinderen en gezinnen krijgen daardoor te maken met verschillende professionals en moeten soms steeds opnieuw hun verhaal doen. Doordat meerdere organisaties betrokken zijn, moeten kinderen en gezinnen vaak lang wachten op tijdige bescherming en hulp. Hierdoor kunnen de problemen nog groter worden en kunnen er onveilige situaties ontstaan. Ook zien de ministeries en de VNG dat er te vaak alleen naar het kind wordt gekeken en niet naar de problemen die daarachter liggen in het gezin, zoals psychiatrische problematiek, schulden, verslaving of complexe scheidingen.

Een vast gezicht

In de toekomst willen VWS, J&V en de VNG een lokaal team dat om de kinderen en gezin staat en snel passende hulp verleent. Binnen dat team is er een vast gezicht, een aanspreekpunt. Kinderen en gezinnen hoeven dus niet steeds opnieuw hun verhaal te doen. Het lokale team staat in contact met een regionaal veiligheidsteam. Daarin zijn functies en veiligheidstaken van Gecertifieerde Instellingen, Veilig Thuis en de Raad voor de Kinderbescherming samengebracht. Dit team beschikt over de expertise voor veiligheidsvraagstukken. Dicht bij de professionals en gezinnen staat een netwerk van specialisten met kennis van de problematiek bij kinderen, volwassenen en specifieke vormen van geweld. Er kan zo sneller hulp worden geboden waardoor de situatie van het kind en in het gezin niet onnodig escaleert. Daarnaast vindt er ook geen onnodig tijdverlies plaats, omdat het kind niet meer van de ene naar de andere organisatie en van wachtlijst naar wachtlijst gaat.

Consultatie

Het scenario schets een  toekomstbeeld en is nog geen uitgewerkt plan. Er zijn nog dilemma’s en er staan nog vragen open. Alle relevante partijen, waaronder ook cliënten en ervaringsdeskundigen kunnen in een consultatie hierover meedenken. De uitkomsten daarvan worden in het najaar naar de Tweede Kamer gestuurd.


Crimineel misbruik via legale structuren voorkomen door meer informatiedeling overheden

Overheden krijgen meer bevoegdheden om informatie over mogelijk crimineel misbruik van beschikkingen, overheidsopdrachten en vastgoedtransacties met elkaar te delen. Dit om de integriteit van de overheid te beschermen tegen vermenging van de boven- en onderwereld. Dit is de kern van een wetsvoorstel tot aanpassing van de Wet Bibob (bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur), dat ministers Grapperhaus van Justitie en Veiligheid en Dekker voor Rechtsbescherming indienen bij de Tweede Kamer.

Frank van Summeren, adviseur veiligheid bij RONT Management Consultants en docent op de training casusregie voor de aanpak van ondermijning.

Overheden kunnen met de Wet Bibob barrières opwerpen tegen het ongewild faciliteren door de overheid van criminele organisaties, door beschikkingen, overheidsopdrachten of vastgoedtransacties te weigeren of in te trekken als hierbij het gevaar dreigt dat deze voor criminele activiteiten misbruikt worden. Met de uitbreiding van de wet wordt het voor overheden mogelijk om onderling informatie over het gevaar van misbruik te delen. Zo wordt voorkomen dat malafide personen voet aan de grond krijgen in die gevallen waarin zij bij verschillende overheden aankloppen totdat zij een overheid hebben gevonden die de Wet Bibob niet toepast, of die een verkeerde risico-inschatting maakt wanneer de relevante risico-indicaties nu onder de radar blijven.

Via het Landelijk Bureau Bibob (LBB) kunnen overheden straks nagaan of uit Bibob-onderzoeken van andere overheden een (ernstig) gevaar is gebleken dat beschikkingen, overheidsopdrachten of vastgoedtransacties misbruikt zullen worden voor het plegen van strafbare feiten. Nu kan alleen informatie opgevraagd worden over Bibob-onderzoeken die het LBB zelf heeft uitgebracht. Ook kan informatie gedeeld worden over de risico’s rondom bepaalde zakelijke relaties van een betrokkene, zoals een vermogensverschaffer of een achterman in een stromanconstructie.

Verder wordt het mogelijk om de Wet Bibob toe te passen bij omgevingsvergunningen voor omgevingsplanactiviteiten, en op grond van waterschapsverordeningen en de vervreemding van een opstalrecht. Hiermee kan voorkomen worden dat (nieuwe) eigenaren panden of gronden gebruiken om crimineel verworven vermogen wit te wassen, of om bepaalde criminele activiteiten te verrichten, zoals bijvoorbeeld mensenhandel of de productie van drugs.


Wetsvoorstel ‘Verbod zwijgcontracten in de zorg’ naar Tweede Kamer

Minister De Jonge van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft een wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer dat regelt dat zwijgcontracten over incidenten in de jeugdzorg, zorg en ondersteuning nietig zijn. Het kabinet wil dat zwijgcontracten in de zorg verboden worden. Dit zijn overeenkomsten waarin afspraken tussen een cliënt en een zorgaanbieder staan, die een cliënt verbieden om over een incident met anderen te spreken.

Frank van Summeren, adviseur bij RONT Management Consultants en docent op de training casus en procesregie op zorg en veiligheid.

De afgelopen jaren hebben ingrijpende gebeurtenissen plaatsgevonden waarover zorgaanbieders een aantal keer zwijgcontracten hebben opgesteld. Door deze zwijgcontracten mogen cliënten bijvoorbeeld niet met de media of met familieleden praten over wat hen is overkomen of ze mogen niet naar de inspectie stappen.

Minister De Jonge: “Juist in de zorg is het belangrijk dat er van fouten wordt geleerd. Waar mensen werken, worden nu eenmaal fouten maakt: dat is niet het punt. Het is wel een punt als je probeert die fouten toe te dekken en slachtoffers het zwijgen op probeert te leggen. Daar moeten we een eind aan maken.”

In de praktijk vinden de meeste mensen zwijgcontracten niet acceptabel. Iedereen moet vrijuit kunnen spreken over wat hem of haar is overkomen. In het afgelopen jaar zijn er dan ook geen meldingen van zwijgcontracten gemaakt bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). Toch is het belangrijk dat deze norm ook wettelijk vastgelegd wordt en zwijgcontracten worden verboden. De inhoud van zwijgcontracten die toch nog worden gesloten, wordt dan automatisch ongeldig verklaard. De Tweede Kamer bepaalt wanneer de wet in behandeling wordt genomen.


Tweede Kamer neemt aangepaste Woningwet aan

Woningcorporaties krijgen voortaan meer mogelijkheden voor het verbeteren van de leefbaarheid. Dat staat in de wijziging van de Woningwet die is aangenomen door de Tweede Kamer.

Frank van Summeren, adviseur bij RONT Management Consultants en docent op de training casus en procesregie op zorg en veiligheid.

Minister Kajsa Ollongren: “Corporaties krijgen meer ruimte om mensen met een laag inkomen zo goed mogelijk te blijven huisvesten. En ze krijgen een prominentere rol in de wijk doordat ze activiteiten in buurthuizen kunnen organiseren. Bewoners komen zo meer met elkaar in contact, en dat is belangrijk om eenzaamheid onder bijvoorbeeld ouderen tegen te gaan.”

Opgave

De Woningwet 2015 leidde er toe dat corporaties zich meer gericht hebben op hun belangrijkste opgave: het huisvesten van mensen die dit het meest nodig hebben. De wetswijziging was nodig omdat de werkzaamheden van de corporaties soms te sterk waren gereguleerd. De aangepaste Woningwet moet corporaties beter in staat te stellen hun rol op de woningmarkt goed te vervullen.

Leefbaarheid

Op het gebied van leefbaarheid vervalt het maximum op leefbaarheidsuitgaven en corporaties mogen weer activiteiten gericht op ontmoeting ondersteunen. Ook worden belemmeringen weggenomen voor investeringen in maatschappelijk vastgoed zoals een buurtcentrum of een dagbestedingsruimte voor zorgbehoevenden. Dit kan bijvoorbeeld door het vervallen van de eis van een fysieke verbinding van bepaalde zorgruimten met overig vastgoed.

Lokaal maatwerk

Bij het maken van prestatieafspraken krijgen corporaties, gemeenten en huurders meer vrijheid om het proces in te richten op een wijze die het best bij de lokale context past. Daarbij kunnen andere partijen betrokken worden, waaronder onderwijsinstellingen en zorgaanbieders. Het wordt verder mogelijk om onder voorwaarden te experimenteren, met als doel om proefondervindelijk tot betere regelgeving op wetsniveau te komen. Hierdoor kan beter ingespeeld worden op toekomstige ontwikkelingen die nu nog niet voorzien worden.


Verbeteringen buitengerechtelijke afdoening van strafbare feiten voorgesteld

Hoge transacties kunnen alleen nog tot stand komen na toestemming van het gerechtshof. Ook wordt het mogelijk om bij strafbeschikking voorwaardelijke straffen op te leggen. Deze voorstellen en meer staan in het conceptwetsvoorstel dat minister Grapperhaus van Justitie en Veiligheid vandaag in internetconsultatie brengt, naar aanleiding van de evaluatie van de Wet OM-afdoening.

Frank van Summeren, adviseur veiligheid bij RONT Management Consultants en docent op de training casusregie voor de aanpak van ondermijning.

De officier van justitie kan met een strafbeschikking, zonder tussenkomst van de rechter, een straf of maatregel opleggen. Dit is ingevoerd met de Wet OM-afdoening die op 1 februari 2008 in werking trad. De officier van justitie kan hierdoor onder meer een geldboete, rijontzegging of taakstraf tot 180 uur opleggen, als hij vaststelt dat een overtreding of misdrijf is begaan waar niet meer dan zes jaar gevangenisstraf op staat. Het opleggen van een gevangenisstraf blijft een taak van de rechter. De strafbeschikking is inmiddels niet meer weg te denken in het strafbestel. Maar er ontbreekt een belangrijke mogelijkheid.

Verkorten doorlooptijden

In de praktijk wordt het als een gemis ervaren dat de officier van justitie in een strafbeschikking geen voorwaardelijke straffen kan opleggen. Als de officier van justitie het opleggen van een voorwaardelijke straf wenselijk vindt, moet deze de verdachte nu steeds dagvaarden om voor de (politie)rechter te verschijnen. De rechter kan wel voorwaardelijke straffen opleggen. Dit komt een evenwichtige zaakverdeling tussen openbaar ministerie en rechter niet ten goede, omdat zo juist lichtere zaken voor de rechter komen terwijl zwaardere zaken met onvoorwaardelijke straffen wel door de officier van justitie kunnen worden afgedaan. Een evenwichtige zaakverdeling kan bijdragen aan het verkorten van doorlooptijden van de afdoening van strafzaken. Dat is, gezien de structurele achterstanden in de afdoening van strafzaken, van groot belang.

Rechterlijke toets hoge transacties

Hoge transactie bij financieel-economische strafzaken waarbij rechtspersonen zijn betrokken, zijn in de praktijk een alternatief voor berechting door de rechter. Een voorbeeld is het door ING Bank N.V. geaccepteerde transactieaanbod van 775 miljoen euro vanwege ernstige nalatigheden bij het voorkomen van witwassen. Zulke hoge transacties komen volledig buiten de rechter om tot stand.  Om de transparantie van het schikkingsproces te vergroten en de legitimiteit daarvan te versterken, introduceert het conceptwetsvoorstel een rechtelijke toetsing bij hoge transacties.

Vergroten doelmatigheid

Bij elkaar genomen dragen de wijzigingen in de regeling van de transactie en strafbeschikking bij aan het realiseren van de hoofddoelstellingen van de Wet OM-afdoening: het vergroten van de doelmatigheid van de buitengerechtelijke afdoening, het versterken van de juridische grondslag van de buitengerechtelijke afdoening en het benutten van de capaciteit bij de zittende magistratuur voor het afhandelen van zaken die daarvoor meer in aanmerking komen.