Nieuwe wet biedt betere bescherming tegen seksueel geweld
De bescherming tegen verkrachting, online en offline seksueel misbruik en seksuele intimidatie moet beter volgens minister Grapperhaus van Justitie en Veiligheid. Om de veiligheid van vrouwen, mannen en kinderen te vergroten wordt de wet gemoderniseerd en aangescherpt. In het wetsvoorstel seksuele misdrijven dat Grapperhaus in consultatie geeft, is iemand strafbaar wegens verkrachting als deze wist dat de ander geen seks wilde en toch heeft doorgezet. Dwang, geweld en bedreiging zijn hierbij strafverzwarende factoren, maar niet langer een vereiste voor een veroordeling. Degene die seksueel contact initieert, moet alert zijn of de ander hetzelfde wil. Als dit niet duidelijk is, moet hij die duidelijkheid zoeken.
Frank van Summeren, adviseur bij RONT Management Consultants en docent op de training casus en procesregie op zorg en veiligheid.
“Seks hoort altijd vrijwillig en gelijkwaardig te zijn. Dat is de norm”, aldus Grapperhaus. ,,Dit moet ook verankerd zijn in de wet. Zo geven we een helder signaal af naar potentiële daders dat seksueel grensoverschrijdend gedrag onacceptabel is. Bovendien kunnen politie en Openbaar Ministerie op deze manier adequaat strafrechtelijk optreden en zorgen dat recht wordt gedaan aan slachtoffers.”
Na zijn aantreden als minister constateerde Grapperhaus dat de huidige strafwetgeving met betrekking tot seksueel grensoverschrijdend gedrag tekort schiet. Bovendien kwam ook met de #Metoo-beweging aan het licht hoe vaak seksueel grensoverschrijdend gedrag voorkomt. Met een eerder voorontwerp van het wetsvoorstel zocht de minister het maatschappelijk en politiek debat over de modernisering van de seksuele misdrijven. De adviezen en gesprekken hebben geleid tot het wetsvoorstel dat vandaag in consultatie is gegeven. Betrokken organisaties en burgers kunnen drie maanden adviseren over de voorgestelde wetgeving.
Niet alleen de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor verkrachting en aanranding wordt verruimd en aangescherpt. Minister Grapperhaus maakt ook seksuele intimidatie in het openbaar strafbaar als overtreding; dus zowel op straat als op internet en via social media-kanalen als Twitter en Facebook. Daarnaast wordt in de wet de strafrechtelijke bescherming tegen online gepleegde misdrijven geactualiseerd. Met het toenemend gebruik van internet, sociale media en smartphones is er meer online seksueel contact. Uitgangspunt is dat seksueel grensoverschrijdend gedrag offline en online even strafwaardig is.
Delicten aanranding en verkrachting
Minister Grapperhaus introduceert in zijn wetsvoorstel verschillende delictsvormen van aanranding en verkrachting. Beide delicten bestaan uit een schuld- en een opzetvariant. In tegenstelling tot het huidig recht is voor het bewijs van beide delicten de vaststelling van dwang niet meer bepalend. Voor strafbaarheid in de opzetvariant is leidend of degene die seksuele handelingen met het slachtoffer verrichtte, wist dat bij de ander daartoe de wil ontbrak en toch doorzette. Bij opzetaanranding en opzetverkrachting geldt het gebruik van dwang, geweld of bedreiging als strafverzwarende omstandigheid. Bij de schuldvariant gaat het om degene die het ernstige vermoeden had. Van belang is dat degene die seksueel contact wil, bij twijfel bij de ander moet checken of die hier ook wel voor in is.
Iemand kan weten dat sprake is van een ontbrekende wil bij expliciet verbaal of fysiek afhoudend gedrag, maar ook bij overduidelijke non-verbale signalen of uitgesproken passief gedrag. Zoals het uit angst bevriezen van het lichaam. Veel slachtoffers van aanranding en verkrachting vertonen een zogenoemde freeze-reactie. In de praktijk blijkt het nu soms lastig om dit soort zaken op te pakken. Met de nieuwe wet wordt het naar verwachting makkelijker om tot opsporing en vervolging over te gaan. De politie, het OM en rechters zullen zich bij het horen van slachtoffers en verdachten richten op aanwijzingen die duiden op een ontbrekende wil en of voldoende is gecheckt of de ander wel wilde.
Balans in belangen
Met de verschillende delictsvormen wordt recht gedaan aan wat een slachtoffer is overkomen, maar komt ook de mate van verwijtbaarheid aan de zijde van de verdachte op een juiste manier in de wet tot uitdrukking. Dat is vooral van belang in situaties waarin bijvoorbeeld sprake is van experimenteergedrag tussen jongvolwassenen en mensen elkaar nog niet zo goed kennen.
Voor een goede uitvoering van het wetsvoorstel wordt met de betrokken partijen uit de rechtspraktijk een implementatieprogramma opgezet, zodat zij goed op de nieuwe wetgeving zijn voorbereid en zij straks met de nieuwe wetgeving in de hand zaken ook echt beter kunnen oppakken. Daarnaast investeert het kabinet nu al naar aanleiding van een aangenomen motie van de Tweede Kamer ook 15 miljoen euro om de capaciteit van de zedenrecherche te vergroten. Hierdoor kunnen in totaal ongeveer 90 specialistische rechercheurs worden geworven en opgeleid en de eerste extra rechercheurs gaan dit jaar aan de slag.
Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding
Eddo Verdoner wordt per 1 april 2021 de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB). Op verzoek van minister Grapperhaus van Justitie en Veiligheid zal de heer Verdoner komend jaar gevraagd en ongevraagd adviseren over de aanpak van discriminatie, bedreiging en intimidatie van de Joodse gemeenschap. Ook zal de NCAB een signalerende functie hebben in ontwikkelingen die opkomen op het terrein van antisemitisme.
Frank van Summeren, adviseur bij RONT Management Consultants en docent op de training casus en procesregie op zorg en veiligheid.
Eerder signaleerde minister Grapperhaus dat door toenemend gebruik van internet en social media en de complottheorieën rondom COVID-19 het antisemitisme in de samenleving zichtbaarder is geworden. In de Tweede Kamer is dan ook brede steun om de NCAB aan te stellen; een voorstel van de VVD en de ChristenUnie hiertoe is aangenomen. Minister Grapperhaus heeft dit initiatief ook direct ondersteund.
Blijvende aanpak
De NCAB zal als onafhankelijk adviseur de minister van Justitie en Veiligheid direct adviseren over de strafrechtelijke aanpak van antisemitisme, beveiliging en versterken van de samenwerking tussen partijen – zoals gemeenten, politie, Openbaar Ministerie en de NCTV – die een rol hebben in de antisemitismebestrijding. Omdat een betere aanpak veel verschillende beleidsterreinen kan raken, wordt de NCAB als schakel daartussen en als expert gevraagd aanbevelingen te doen voor een blijvende aanpak. De NCAB zal zonder te treden in individuele zaken onderzoek doen naar mogelijke knelpunten in de verschillende ketens in de afhandeling van meldingen van antisemitisme. Ook wordt de nationaal coördinator gevraagd contacten te houden in het internationale werkveld, internationaal ervaringen uit te wisselen en eventuele goede voorbeelden uit het buitenland voor het voetlicht te brengen.
Opvolging
De instelling van de NCAB geldt vooralsnog voor de duur van een jaar. Aan het einde van deze termijn wordt de opdracht van de NCAB geëvalueerd. Dan wordt bezien hoe daaraan het beste opvolging kan worden gegeven. De heer Verdoner is op dit moment onder meer voorzitter van het Centraal Joods Overleg (CJO). Deze functie zal hij overdragen in het kader van zijn start als NCAB.
Wetsvoorstel verbetert beschikbaarheid specialistische zorg voor jeugdigen
Op dit moment staat de beschikbaarheid van bepaalde vormen van specialistische zorg voor kinderen en jongeren onder druk. Door in de Jeugdwet samenwerking tussen gemeenten op regionaal niveau te verplichten kan die beschikbaarheid worden verbeterd. De ministerraad heeft op voorstel van staatssecretaris Blokhuis van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ingestemd met het wetsvoorstel ‘Verbetering beschikbaarheid zorg voor jeugdigen’, dat deze samenwerking regelt. Daarnaast heeft de ministerraad ingestemd met de wetsvoorstellen ‘rechtspositie gesloten jeugdhulp’ en ‘verlenging duur pleegzorg en vervallen verleningsbeschikking bij machtiging uithuisplaatsing en gesloten jeugdzorg’.
Frank van Summeren, adviseur bij RONT Management Consultants en docent op de training casus en procesregie op zorg en veiligheid.
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de organisatie van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. Uitgangspunt is om de zorg dichtbij de inwoners te organiseren, in samenhang met bijvoorbeeld ondersteuning van gezinnen bij werk, inkomen en schulden. Maar de beschikbaarheid van zorg voor kinderen met complexe en specialistische zorgvragen kan beter. Om de beschikbaarheid te bevorderen, stelt het kabinet dat gemeenten bij de inkoop van specialistische zorg regionaal moeten samenwerken.
In het voorstel, dat voornamelijk een wijziging van de Jeugdwet betreft, worden gemeenten o.a. verplicht om een regiovisie op te stellen, waarin duidelijk in beeld wordt gebracht wat de zorgvraag in de regio is en hoe de gemeenten de benodigde hulp met de aanbieders gaan organiseren. Hierin moet ook aandacht zijn voor de aanpak van wachtlijsten en het omgaan met ingewikkelde casuïstiek. Daarnaast moeten gemeenten, die dat nog niet hebben, een regionale entiteit oprichten die verantwoordelijk wordt voor de inkoop van specialistische zorg op regionaal niveau. Het wetsvoorstel sluit aan bij de norm voor opdrachtgeverschap die door gemeenten zelf is ontwikkeld.
Gezamenlijk meer grip
Staatssecretaris Blokhuis: “We willen kinderen en gezinnen het liefst zo dicht mogelijk bij huis hulp bieden. De afgelopen jaren zijn in de gemeenten goede ontwikkelingen in gang gezet. Maar soms is hulp nodig die om specifieke expertise vraagt, die minder breed beschikbaar is in ons land. Dan is het nodig dat gemeenten samenwerken. Door hun krachten te bundelen in de regio, krijgen gemeenten gezamenlijk meer grip op de beschikbaarheid en kwaliteit van de zorg voor onze jeugd. En we gunnen toch elk kind om in een veilige, gezonde omgeving op te kunnen groeien, met indien nodig de hulp die daarbij past.”
Bedrijfsvoering, toezicht en toegang
Het wetsvoorstel stelt ook eisen aan de financiële bedrijfsvoering van jeugdhulpaanbieders. Dit draagt bij aan een professionelere opdrachtnemersrol richting gemeenten, een stabiele omgeving voor cliënten en medewerkers, en het versterken van de continuïteit van zorg. Het toezicht op deze eisen wordt uitgewerkt in een apart wetsvoorstel. Voorstellen voor de verbetering van de toegang tot jeugdhulp, zoals voorgesteld in het oorspronkelijke wetsvoorstel, zijn uit dit wetsvoorstel gehaald. Het kabinet wil gemeenten de tijd geven om toegang via lokale wijkteams goed in te richten en past de wet daarom voorlopig niet op dit punt aan.
Wet Rechtspositie gesloten jeugdhulp
De ministerraad heeft ook ingestemd met het wetsvoorstel ‘rechtspositie gesloten jeugdhulp’. Dit wetsvoorstel regelt de rechtspositie van jeugdigen die in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp verblijven. Het wetsvoorstel is een ingrijpende wijziging omdat nu meer dan in de huidige Jeugdwet rechten voor jeugdigen vastgelegd worden en nauwkeurig beschreven wordt onder welke omstandigheden rechten van jeugdigen kunnen worden beperkt. Met dit wetsvoorstel zorgt staatssecretaris Blokhuis er onder andere voor dat het separeren van kinderen in de gesloten jeugdhulp in een kale separatiecel niet meer is toegestaan. Kinderen van 12 jaar en ouder mogen alleen nog in kindvriendelijke ruimtes – waarvoor regels komen – tijdelijk afgezonderd worden als sprake is van een noodsituatie.
Wet Verlenging duur pleegzorg en vervallen verleningsbeschikking
Ten slotte heeft de ministerraad ingestemd met het wetsvoorstel ‘verlenging duur pleegzorg en vervallen verleningsbeschikking bij machtigingen tot uithuisplaatsing en gesloten jeugdhulp’. Het wetsvoorstel regelt dat pleegkinderen voortaan standaard tot hun 21ste in een pleeggezin kunnen verblijven als ze dat willen. Jeugdhulp, waaronder pleegzorg, stopt doorgaans als het kind 18 jaar wordt, terwijl pleegkinderen dan vaak nog niet toe zijn aan volledige zelfstandigheid. Over het verlengen van pleegzorg tot 21 jaar was al een bestuurlijke afspraak gemaakt met de VNG en Jeugdzorg Nederland. Het Rijk heeft hier financiële middelen voor uitgetrokken en gemeenten voeren deze afspraak inmiddels uit. Dit wetsvoorstel geeft deze afspraak de benodigde juridische basis.
Verder regelt het wetsvoorstel dat de verleningsbeschikking bij machtigingen tot uithuisplaatsing en gesloten jeugdhulp zal vervallen. Bij een verzoek aan de kinderrechter om een machtiging tot uithuisplaatsing of gesloten jeugdhulp is nu een beschikking van het college van burgemeester en wethouders voorgeschreven, waaruit blijkt dat jeugdhulp met verblijf nodig is. In de praktijk is gebleken dat het verstrekken van deze beschikking geen toegevoegde waarde heeft. Het vervallen van de verleningsbeschikking vermindert bovendien de administratieve lasten.
Staatssecretaris Blokhuis start campagne om praten over psychische aandoeningen te stimuleren
Bijna één op de twee Nederlanders krijgt ooit te maken met een psychische aandoening. Erover praten is belangrijk. Het zorgt voor wederzijds begrip, wat bijdraagt aan vermindering van stigmatisering. En het kan een stap zijn naar de juiste hulp. Onderzoek laat zien dat mensen in de omgeving van iemand met een psychische aandoening wel de intentie hebben om het gesprek aan te gaan, maar vaak niet weten hoe. Daarom lanceert staatssecretaris Paul Blokhuis van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) vandaag de vervolgcampagne Hey, het is oké.
Frank van Summeren, adviseur bij RONT Management Consultants en docent op de training casus en procesregie op zorg en veiligheid.
Het doel van de campagne is mensen in de omgeving van iemand met een psychische aandoening te helpen het gesprek hierover aan te gaan. Tijdens de aftrap gaat Paul Blokhuis al wandelend in gesprek met Michiel Verheul. Michiel heeft een dwangstoornis en hield dit jaren geheim.
Blokhuis: “Een psychische aandoening kan iedereen overkomen. Vaak heeft de omgeving onbewust vooroordelen over psychische aandoeningen. Die stigmatisering zorgt voor isolatie, disfunctioneren en terughoudendheid in het zoeken van hulp. Deze vervolgcampagne neemt vooroordelen over psychische aandoeningen weg en laat zien hoe je ook als omstander het gesprek kunt aangaan. Dat is nu in tijden van corona nóg belangrijker.”
Praten helpt
Onderzoek van Motivaction toont aan dat de drempel om het gesprek aan te gaan over psychische aandoeningen voor omstanders groot is. Zeven op de tien mensen hebben het idee dat vragen naar iemands psychische aandoening of klachten heel persoonlijk is. En vier op de tien mensen vinden psychische aandoeningen of klachten privé. Slechts een kwart verwacht dat een persoon met een psychische aandoening of klachten het fijn vindt om erover te praten. Het initiatief wordt daarmee vaak gelegd bij degene met een psychische aandoening of klachten. Terwijl praten juist een eerste stap kan zijn naar herstel en ervoor kan zorgen dat je klachten minder zwaar worden.
Wandelend in gesprek
Blokhuis en Verheul voeren het gesprek wandelend en laten hiermee meteen zien dat een wandeling een fijne manier is om te praten over psychische klachten. Je hebt meer ruimte, kunt eenvoudig stiltes laten vallen en ook emotie uiten kan makkelijker zijn. Bovendien is wandelen goed voor je mentale gezondheid.
Michiel had graag eerder de moed gevonden om met zijn omgeving over zijn dwanggedachtes te praten. Wat hij anderen wil meegeven: “Als je erover praat, durf dan ook eerlijk te zijn. Ik schaamde me zo voor mijn gedachtes, dat ik er bijvoorbeeld niet open over durfde te zijn tegen mijn therapeut. Die kon toen ook niet de juiste diagnose stellen. Ook merkte ik pas toen ik écht open was over mijn klachten, dat meer mensen in mijn omgeving zich kwetsbaar op gingen stellen. En dat ik niet de enige was die hier mee te maken heeft. Inmiddels is mijn motto: vertellen doet herstellen.”
Over de campagne
De campagne is bedoeld om het stigma op psychische aandoeningen weg te nemen en de drempel te verlagen om erover te praten. De campagne is te zien op tv en social media en te horen op de radio. Op de campagnewebsite heyhetisoke.nl staan ervaringsverhalen van anderen die het gesprek aangingen en concrete tips om het gesprek zelf aan te gaan. Ook vinden mensen er meer informatie over bekende en minder bekende vooroordelen, wat bijdraagt aan meer begrip. In een eerdere campagne (2018) lag de focus vooral op depressie. Daarna is de campagne verbreed met angst- en paniekstoornissen. De huidige campagne gaat over alle psychische aandoeningen.
Mensen die graag op een laagdrempelige manier met een hulpverlener of lotgenoot willen praten, kunnen terecht bij MIND Korrelatie. Voor meer informatie over destigmatisering kunnen mensen naar Samen Sterk zonder Stigma.
Pauzeknop op schulden gedupeerde ouders van kracht
Ouders die gedupeerd zijn door de problemen met de kinderopvangtoeslag hoeven zich komend jaar geen zorgen te maken over beslagleggingen naar aanleiding van hun schulden. De Eerste Kamer heeft een amendement aangenomen dat regelt dat de invordering van schulden bij gedupeerde ouders tijdelijk wordt gepauzeerd. Staatssecretaris Van Huffelen (Financiën) zal de adempauze van 1 jaar gebruiken om met alle betrokken partijen voortvarend tot een structurele oplossing te komen voor de schulden van gedupeerde ouders.
Frank van Summeren, adviseur bij RONT Management Consultants en docent op de training casus en procesregie op zorg en veiligheid.
Met de pauzeknop op de invordering van schulden wordt voorkomen dat schuldeisers beslag kunnen leggen op de forfaitaire tegemoetkoming van 30.000 euro bij gedupeerde ouders, of elke andere compensatiebedrag dat zij ontvangen. Op deze manier wordt rust en ruimte gecreëerd om samen met schuldeisers een oplossing te vinden voor de schulden van deze ouders, zodat ouders zoveel mogelijk van de tegemoetkoming kunnen gebruiken voor een nieuwe start.
Voor alle ouders die zich vóór 12 februari 2021 hebben gemeld als gedupeerde geldt het moratorium per direct. Voor deze groep van ruim 23.000 ouders geldt vervolgens dat de periode van 1 jaar ingaat vanaf het moment dat de forfaitaire tegemoetkoming van 30.000 euro wordt uitgekeerd. Voor ouders die zich ná 12 februari hebben gemeld geldt dat de adempauze van 1 jaar van kracht wordt op het moment dat de 30.000 euro wordt uitgekeerd.
In dat jaar mogen schuldeisers geen verhaal halen bij de gedupeerde ouders en hun huidige toeslagpartner. Het gaat hierbij om schulden die voor de adempauze zijn ontstaan. Schuldeisers mogen ook de overeenkomst met de betrokken ouders niet aanpassen wanneer een schuld openstaat die voor de adempauze is ontstaan. Dit betekent dat bijvoorbeeld een huurcontract niet kan worden opgezegd vanwege een betalingsachterstand die een gedupeerde ouder heeft.
Om te voorkomen dat er beslag wordt uitgevoerd op de compensatie, laat de Belastingdienst/Toeslagen aan de gerechtsdeurwaarders weten wie tot de groep gedupeerde ouders behoort. Gerechtsdeurwaarders kunnen beslag leggen op het inkomen of op goederen. Door onder strikte voorwaarden gegevens van gedupeerde ouders te delen, kunnen we ervoor zorgen dat er geen beslag meer wordt gelegd. Gerechtsdeurwaarders mogen deze gegevens alleen gebruiken om beslagleggingen te voorkomen.
Ouders die aanmaningen krijgen, hoeven deze niet te betalen. Zij kunnen bij de schuldeisers aangeven dat zij gedupeerd zijn door de problemen met kinderopvangtoeslag. In de nabije toekomst kunnen schuldeisers dit navragen bij de Belastingdienst/Toeslagen.
Daarnaast kunnen ouders die schulden hebben en zich hier zorgen over maken zich melden bij hun gemeente. Die kan helpen bij het inventariseren van de schulden.
Straf doodslag omhoog naar 25 jaar
De maximale gevangenisstraf voor doodslag gaat omhoog van 15 naar 25 jaar. Hierdoor komt de straf meer in de buurt van de maximale straf van 30 jaar voor moord, wat meer recht doet aan de ernst van het misdrijf. De ministerraad heeft daarmee ingestemd, op voorstel van minister Grapperhaus van Justitie en Veiligheid en minister Dekker voor Rechtsbescherming.
Frank van Summeren, adviseur bij RONT Management Consultants en docent op de training casus en procesregie op zorg en veiligheid.
Minister Grapperhaus: “Verhoging van het strafmaximum geeft de rechter de armslag die nodig is om in alle gevallen van doodslag een passende straf op te leggen.”
Minister Dekker: “Doodslag veroorzaakt onherstelbaar leed bij nabestaanden van slachtoffers, daar hoort een straf bij die daar recht aan doet.”
Doodslag ligt soms heel dicht aan tegen moord. Doodslag is het opzettelijk doden van een ander mens. Doodslag met voorbedachte raad is moord. Sinds de invoering van het Wetboek van Strafrecht staat op doodslag maximaal 15 jaar gevangenisstraf. In 2006 is de maximumduur van de gevangenisstraf voor moord verhoogd van 20 naar 30 jaar, als alternatief voor de levenslange gevangenisstraf. Door nu het maximum voor doodslag te verhogen naar 25 jaar, wordt het gat tussen doodslag en moord verkleind.
De ministerraad heeft ermee ingestemd het wetsvoorstel voor advies aan de Raad van State te zenden. De tekst van het wetsvoorstel en van het advies van de Raad van State worden openbaar bij indiening bij de Tweede Kamer.
Gemeenten positief over pilot verhuurdervergunning
De verhuurdervergunning is een goede manier om malafide verhuurders aan te kunnen pakken. Dat blijkt uit een pilot rond de aanpak van goed verhuurderschap. De afgelopen twee jaar namen gemeenten en belanghebbende organisaties deel aan de aanpak goed verhuurderschap. Daarbinnen werd een aantal pilots gedaan met een verhuurdervergunning. Gemeenten zijn tevreden met de geboekte resultaten en willen graag een landelijke grondslag. Minister Ollongren werkt daarom aan een nieuw wetsvoorstel.
Frank van Summeren, adviseur veiligheid bij RONT Management Consultants en hoofddocent op de cursus huisvesting arbeidsmigranten.
Dit voorstel moet ervoor zorgen dat gemeenten de bevoegdheid krijgen om landelijke geüniformeerde voorschriften voor verhuurders te kunnen instellen. Gemeenten kunnen dan ook een specifieke vergunningsplicht instellen voor verhuurders die veelvuldig overtredingen begaan.
Resultaten pilots
Verschillende steden en regio’s hebben sinds de start van de aanpak goed verhuurderschap waardevolle praktijken ontwikkeld waarmee de activiteiten van malafide verhuurders tegengegaan worden. Uit pilots blijkt dat actieve handhaving werkt en dat het belangrijk is om de informatiepositie van huurders te versterken. Ook is er ervaring opgedaan met de overname van panden door de gemeente, zodat de huurders niet hoeven te vertrekken als de verhuurder de fout in gaat. Die mogelijkheid bestaat al sinds 2015 op grond van de Woningwet, maar is tot nu toe grotendeels onbenut gebleven.
Statement goed verhuurderschap
Verhuurders, gemeenten en andere belanghebbenden willen actief met de aanpak doorgaan. In de Kamerbrief over de resultaten van de aanpak goed verhuurderschap brengen ze het volgende statement naar buiten: “We zullen ons hard blijven maken voor het tegengaan van discriminatie op de woningmarkt en het aanpakken van de malafide verhuurders waar dat in ons vermogen ligt”. Het statement wordt ondersteund door: Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), de gemeente Amsterdam (namens de studentengemeenten), de Woonbond, de Landelijke Studentenvakbond (LSVb), Vastgoed Belang, de Vereniging van Institutionele Beleggers in Vastgoed Nederland (IVBN), Vastgoedmanagement Nederland (VGM NL), de Nederlandse Vereniging van Makelaars en Taxateurs (NVM), Vereniging Bemiddeling Onroerend Goed (VBO) en Aedes.
Wetsvoorstel Alcoholmeter in consultatie
Het opleggen van een alcoholverbod draagt bij aan een veiligere samenleving. Maar liefst 26% tot 43% van het geweld in Nederland is gerelateerd aan alcohol. Minister Grapperhaus stuurt daarom een wetswijziging voor advies naar betrokken organisaties, die de landelijke invoering van de Alcoholmeter regelt. Dat is een betrouwbaar controlemiddel voor de naleving van het alcoholverbod, omdat het een enkelband is die via het zweet continu alcoholgebruik meet.
Frank van Summeren, adviseur bij RONT Management Consultants en docent op de training casus en procesregie op zorg en veiligheid.
Mensen die veroordeeld worden voor een strafbaar feit dat onder invloed gepleegd is, kunnen als bijzondere voorwaarde een alcoholverbod opgelegd krijgen. De Alcoholmeter meet betrouwbaar of dit verbod wordt nageleefd en iemand dus niet drinkt. Dat is gebleken uit een aantal succesvolle pilots. De alcoholenkelband kan op dit moment echter alleen op vrijwillige basis ingezet worden, omdat een juridische grondslag ontbreekt. Met dit wetsvoorstel kan de Alcoholmeter straks ook verplicht ingezet worden, nadat de rechter of het openbaar ministerie een alcoholverbod opgelegd heeft.
Nu wordt de naleving van het alcoholverbod gemiddeld twee keer per week door de reclassering gecontroleerd via bloed- of urineonderzoek, of een blaastest. Het is daarmee een momentopname, waardoor het alcoholverbod tussentijds overtreden kan worden. De Alcoholmeter meet het alcoholgebruik continue.
De maatschappelijke schade van alcoholmisbruik wordt op 2,3 tot 4,2 miljard euro per jaar geraamd. Als ook private kosten worden meegewogen loopt de schade op tot 6,1 miljard euro. De Alcoholmeter helpt alcoholmisbruik, het plegen van misdaden en rijden onder invloed van alcohol te voorkomen.
Misstanden incassosector aangepakt
Sommige incassobureaus confronteren consumenten met intimidatie en onterechte of niet inzichtelijke kosten, waardoor mensen verder in de problemen komen en emotionele stress ondervinden. Om dit tegen te gaan, diende minister Dekker voor Rechtsbescherming een wetsvoorstel in bij de Tweede Kamer dat een incassoregister regelt en kwaliteitseisen stelt.
Frank van Summeren, adviseur bij RONT Management Consultants en docent op de training casus en procesregie op zorg en veiligheid.
Minister Dekker: “Mensen met problematische schulden moeten we beschermen tegen incassobureaus die intimideren, kosten opjagen of onduidelijk zijn. Met een incassoregister en het stellen van kwaliteitseisen halen we de ‘cowboys‘ uit de markt.”
Verplichte registratie
Straks is een registratie verplicht om actief te zijn als incassodienstverlener. Alleen bureaus die aan de juiste eisen voldoen, worden ingeschreven in het incassoregister. Incassodienstverleners die zich niet gedragen, worden uit het register verwijderd en mogen dat werk dan niet meer doen. Het register is openbaar en gratis raadpleegbaar, zodat iedereen kan zien of een incassobureau aan de juiste eisen voldoet. Deze kwaliteitseisen gaan onder meer over de juiste opbouw en transparantie van de vordering. Ook worden er eisen gesteld aan het personeel, zodat tegen gegaan wordt dat mensen op ontoelaatbare wijze onder druk gezet worden.
Verantwoord incasseren
Ook vanuit de sector werd gepleit voor duidelijke regels. Een grote groep incassobureaus houdt zich al langer aan zelf opgelegde kwaliteitseisen binnen de Nederlandse Vereniging van gecertificeerde Incasso-ondernemingen (NVI). Minister Dekker ging daar onlangs op bezoek om gezamenlijk het belang van maatschappelijk verantwoorde incasso te onderstrepen.
Commissie Letschert: Strafrechtketen, sla handen ineen voor ferme stap vooruit!
De strafrechtketen moet de handen ineen slaan om in de volle breedte een ferme stap vooruit zetten. Bovenal dat maakt het mogelijk om het nieuwe Wetboek van Strafvordering straks succesvol in te voeren en samen de kansen te benutten die het wetboek biedt voor versterking van de kwaliteit en doelmatigheid van de keten en voor verkorting van doorlooptijden van strafzaken. Tot die aanbeveling komt de onafhankelijke Commissie Implementatie nieuwe Wetboek van Strafvordering in haar advies. Hierin roept de commissie de strafrechtketen op tot ‘collectieve daadkracht’. Die is volgens haar ‘cruciaal’ voor het nieuwe wetboek.
Frank van Summeren, adviseur veiligheid bij RONT Management Consultants en docent op de training casusregie voor de aanpak van ondermijning.
Minister van Justitie en Veiligheid mr F.B.J. (Ferd) Grapperhaus en minister voor Rechtsbescherming drs S. (Sander) Dekker stuurden het advies van de commissie op 11 februari 2021 met hun beleidsreactie naar de Tweede Kamer. Van het adviesrapport van de commissie onder voorzitterschap van prof. dr. R.M. (Rianne) Letschert (verder: commissie Letschert) maken ook de implementatiestrategie en de rapportage implementatiekosten deel uit.
De bewindslieden noemen deze stukken en het advies van de commissie in hun reactie ‘grondig en uitvoerig. De commissie is er overtuigend in geslaagd om in haar werk zowel inzicht te bieden in de inspanningen, kosten en voorwaarden, als te wijzen op de risico’s en onzekerheden die gepaard gaan met deze’, zoals de commissie formuleert, ‘historische operatie’.
Hierna volgt op basis van het adviesrapport van de commissie Letschert:
- Over het belang van snelheid in het wetgevingsproces;
- Over het belang van het nieuwe Wetboek van Strafvordering en modernisering;
- Over ketenbreed samen invoeren van het nieuwe Wetboek van Strafvordering;
- Over middelen voor invoeren van het nieuwe Wetboek van Strafvordering.
Over het belang van snelheid in het wetgevingsproces
De commissie Letschert ziet dat er ‘veel commitment in de keten is om het nieuwe wetboek te realiseren, maar dat snel een nieuwe zichtbare stap nodig is. Urgent is dan ook een impuls in het wetgevingsproces’. Door wind in de zeilen te houden van dit onvermijdelijk langdurige veranderingsproces kun je ‘verlies van focus en urgentie’ voorkomen. Ook daarom dringt de commissie erop aan het wetboek zo snel mogelijk voor advisering voor te leggen aan de Raad van State, bij uitzondering zonder financiële paragraaf.
De commissie gaat ervan uit dat uiterlijk in het komende regeerakkoord de nodige middelen, zoals zij die in kaart brengt, beschikbaar komen voor implementatie van het nieuwe wetboek.
Om focus en urgentie vast te houden is volgens haar ook ‘een herhaald collectief publiekelijk uitgesproken commitment van alle partners in de strafrechtketen, waarin de noodzaak van het wetboek benadrukt wordt, nodig’.
Ook omvang en complexiteit van deze moderniseringsoperatie dwingen volgens de commissie tot een voortvarende aanpak. Er moeten ‘nú nieuwe stappen gezet’ worden, zonder welke de commissie zich zorgen maakt over een spoedige inwerkingtreding van het nieuwe wetboek. ‘Nog langer wachten brengt inhoud en de voortgang, resultaat van jarenlang vruchtbare gesprekken en onderhandelen met de keten, in gevaar.’ Pakken regering en parlement door dan is implementatie van het nieuwe wetboek haalbaar in 2026, op de kop af een eeuw na invoering van het huidige wetboek.
De ambtelijke versie van het nieuwe wetboek, sinds medio 2020 gepubliceerd op rijksoverheid.nl, kwam in de afgelopen zeven jaar onder verantwoordelijkheid van het ministerie van Justitie en Veiligheid tot stand na intensief overleg met partners in de strafrechtketen en de wetenschap.
Over het belang van het nieuwe Wetboek van Strafvordering en modernisering
In haar eindrapport gaat de commissie Letschert ook nader in op betekenis en belang van het nieuwe wetboek. Het Wetboek van Strafvordering is ‘het wegennet van de strafrechtelijke rechtshandhaving’. Het verouderde wetboek uit 1926 is na ongeveer 150 wijzigingen inmiddels een lappendeken, dringend toe aan groot onderhoud en vernieuwing.
In de kern van de zaak moet het Wetboek van Strafvordering bevorderen dat de strafwet wordt toegepast op de werkelijk schuldige en vervolging en veroordeling van niet schuldige mensen voorkomen. Het wetboek is dan ook ‘geen luxeartikel’, schrijft de commissie in haar advies. Het waarborgt grond- en mensenrechten van iedereen die onderwerp is van een strafrechtelijk onderzoek.
Voor dit kerndoel is een toegankelijk, actueel en overzichtelijk wetboek onontbeerlijk. Modernisering heeft als doel te komen tot een toekomstbestendig wetboek dat voor burgers toegankelijk is, dat voorziet in een evenwichtig stelsel van rechtswaarborgen en dat in de praktijk werkt voor de honderdduizend professionals in de strafrechtketen.
Het nieuwe wetboek introduceert nieuwe en gewijzigde bepalingen voor strafvordering, codificeert jurisprudentie, stelt de strafrechtketen in staat beter in te spelen op technologische ontwikkelingen die elkaar razendsnel opvolgen in een samenleving die steeds verder digitaliseert. Techniekonafhankelijke formuleringen voorkomen dat het wetboek binnen afzienbare tijd weer achterloopt. In samenhang met waarborgen voor een juiste toepassing en privacy bevat het ook nieuwe bevoegdheden. Die maken opsporing van nieuwe misdaadvormen, zoals digitale criminaliteit en ondermijning, door openbaar ministerie en politie beter mogelijk.
De nieuwe werkwijze in het wetboek legt meer nadruk op het voorbereidend onderzoek dat vooraf gaat aan de behandeling van een strafzaak op de rechtszitting. In het gemoderniseerde wetboek is het uitgangspunt dat een strafzaak wordt ingepland voor inhoudelijke behandeling op zitting zodra die daar klaar voor is. Deze beweging naar voren schept ook voorwaarden voor het verkorten van doorlooptijden van strafzaken. Een factsheet van de commissie op de website rijksoverheid.nl gaat nader in op het hoe en waarom van modernisering van het nieuwe wetboek.
Over ketenbreed samen invoeren van het nieuwe Wetboek van Strafvordering
De commissie Letschert adviseert een big bang-scenario voor invoering van het wetboek en een zo kort en eenvoudig mogelijke overgangsperiode als uitgangspunten van de implementatiestrategie. Dat beperkt overgangsproblemen. De onderlinge samenhang van het wetboek maakt het niet mogelijk het in onderdelen in te voeren.
Invoering van het nieuwe wetboek brengt ook opleiden met zich mee van vele tienduizenden mensen in de strafrechtketen. In totaal werken zo’n 100.000 mensen in de strafrechtketen: rechters en officieren van justitie, advocaten, politiemensen, medewerkers van de Koninklijke Marechaussee en bijzondere opsporingsdiensten maar ook bijzondere opsporingsambtenaren, medewerkers van gevangenissen en van de reclassering.
Het nieuwe wetboek biedt, zoals gezegd, kansen voor versterking van de kwaliteit en doelmatigheid van de strafrechtpleging en voor verkorting van doorlooptijden. Om die kansen optimaal te benutten roept de commissie de ketenpartners op hierin samen te investeren en daarmee alvast te beginnen in de aanloop naar de invoering van het wetboek.
De commissie stelt vast dat ‘de samenwerking in de keten verbeterd kan worden, ook met inachtneming van de staatsrechtelijke verhoudingen. Het denken vanuit de keten moet blijvend aandacht krijgen van allen die in de keten werken. Dat denken mag naar onze mening nog beter in de genen van de ketenpartners verankerd worden en op alle niveaus worden uitgedragen, te beginnen vanuit de top’.
De commissie Letschert ziet een aantal harde voorwaarden voor het verzilveren van de kansen in het wetboek en voor het welslagen van de invoering ervan, waaronder vooral:
- Een slagvaardige bestuursstructuur waarin de strafrechtketen een sturende en besluitvormende rol krijgt en die ook bewerkstelligt dat genomen besluiten op ketenniveau daadwerkelijk uitgevoerd worden in de verschillende schakels van de keten. De commissie meent dat je binnen deze structuur ook goed vorm kunt geven aan de eigenstandige en onafhankelijke positie van de rechtspraak;
- Een departement dat in deze structuur zijn volle verantwoordelijkheid neemt voor het stelsel van de keten en voor een succesvolle invoering van het wetboek met een stevige, stimulerende, faciliterende en aanjagende rol;
- Een ketenbrede implementatiestrategie voor invoering van het nieuwe wetboek, gebaseerd op verregaande ketensamenwerking en afstemming in alle lagen van de keten;
- Een meerjarig gezamenlijk implementatieplan dat alle implementatieplannen van de afzonderlijke organisaties omvat en dat daarnaast verbindt en sturing mogelijk maakt;
- Een meerjarige integrale uitvoeringsplanning voor de introductie van alle voor de strafrechtketen relevante nieuwe beleid en wetgeving die ook rekening houdt met de noodzakelijke opleidingstrajecten, ICT-aanpassingen en capaciteit daarvoor en de beschikbare financiële middelen;
- Investeren in samenwerkingsverbanden voor opleidingen. Slim gebruikmaken van digitale leermethodes en leren vanuit de werkvloer. Inbedden van opleidingen voor het nieuwe wetboek in een meerjarige programmering, waarbij de opleidingen voor het nieuwe wetboek niet te ver voor invoering ervan moeten plaatsvinden. Opleidingen voor het nieuwe wetboek als logische invulling zien van de reguliere opleidingsverplichtingen en die waar mogelijk faciliteren;
- Gereedmaken van de digitale infrastructuur in de strafrechtketen voor invoering van het wetboek: ‘Grootscheeps langdurig verbouwen, de winkel openhouden én een optimaliseringsslag vergen ook dat de organisaties de basis – vooral op digitaal gebied – op orde hebben en de implementatie samenhangend en ketenbreed wordt aangepakt’.
De commissie Letschert meent dat de ketensamenwerking ‘een krachtige impuls’ krijgt door ‘gezamenlijk een samenhangende meerjarige implementatieplanning voor het wetboek op te stellen en ook een meerjarig uitvoeringsplan voor alle grote trajecten te ontwerpen’. De integrale uitvoeringsplanning moet voorkomen dat de keten wordt overvraagd. Om dezelfde reden adviseert de commissie rondom het invoeringsjaar van het wetboek niet of nauwelijks andere vernieuwingen door te voeren.
Over middelen voor invoeren van het nieuwe Wetboek van Strafvordering
De commissie Letschert raamt de totale bandbreedte van invoeringskosten op 366 tot 458 miljoen euro, te verdelen over een periode van enkele jaren. Dit bedrag is nodig voor onder andere opleiding van ongeveer 60.000 medewerkers, aanpassing van werkprocessen, nieuwe formulieren en systemen.
Ziet naast de Raad voor de Kinderbescherming en de Koninklijke Marechaussee ook de politie kans de invoering van het nieuwe wetboek op te vangen binnen de bestaande opleidingsruimte dan zou dit in totaal 74 tot 98 miljoen euro kunnen schelen in de uitgaven en resulteren in een netto implementatielast met een bandbreedte van 292 tot 360 miljoen euro.
De bulk van de uitgaven voorziet de commissie in de twee jaren voor invoering en het jaar hierna. Ga je hiervan uit en van de bovenkant van de bandbreedte dan kan de verdeling van uitgaven voor invoering van het wetboek min of meer als volgt zijn.
Met het oog op veranderingen die zich in de toekomst mogelijk voordoen beveelt de commissie een jaarlijkse herijking van de ramingen aan en een jaarlijkse evaluatie door een onafhankelijke partij.
De commissie wijst erop dat voor een goed werkend stelsel de ‘checks and balances’ in orde moeten zijn. Hiervoor moet de advocatuur in staat zijn om de intensievere en actievere rol die het nieuwe wetboek voorziet voor de advocaat, in het bijzonder in de ‘beweging naar voren’, adequaat te vervullen. Omdat een belangrijk deel van de verdachten afhankelijk is van het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand zullen de daarin geboden vergoedingen moeten worden toegesneden op de nieuwe taken van de advocatuur in het strafrecht.
De commissie adviseert daarom bij de herziening van het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand rekening te houden met de doorwerking van het nieuwe wetboek op de rol van de advocatuur. In aansluiting op dit advies en op verzoek van de Nederlandse Orde van Advocaten laten de bewindslieden inmiddels de effecten onderzoeken van invoering van het nieuwe wetboek op het stelsel van gefinancierde rechtsbijstand.
De commissie raadt aan om aan te sturen op ketenconsistentie in het zoveel mogelijk voorkomen van productieverlies tijdens de implementatie. Ze onderstreept dat tijdens de ‘verbouwing de winkel open moet blijven’, want de consequenties van het stagneren van de keten zijn maatschappelijk zeer onwenselijk. De commissie noemt invoering van het wetboek een ‘diepte-investering’ die een ‘enorme krachtsinspanning verlangt’ van de mensen in de strafrechtketen: ‘Dat grote beroep op de vele mensen hierin verdient op voorhand de nodige ruimte, begrip en betrokkenheid van ons allen.’
Minister van Justitie en Veiligheid Grapperhaus stelde op 23 september 2019 de externe Commissie Implementatie nieuw Wetboek van Strafvordering in. De commissie kreeg als opdracht mee de inspanningen en kosten in kaart te brengen van invoering van het gemoderniseerde wetboek. Ook gaf de minister aan de commissie opdracht bij te dragen aan het voor het voetlicht brengen van het maatschappelijk belang van het nieuwe wetboek. Van de commissie maken, naast voorzitter Letschert, prof. dr. M.F.H. (Marianne) Hirsch Ballin, drs A.H.M. (André) de Jong en drs K. (Korrie) Louwes deel uit.



