Onderzoek naar schadevergoedingsstelsel slachtoffers van strafbare feiten
Een tijdelijk adviescollege gaat onderzoek doen naar het schadevergoedingsstelsel voor slachtoffers van strafbare feiten. De ministerraad heeft daar op voorstel van minister Dekker voor Rechtsbescherming mee ingestemd. Het adviescollege gaat op 15 juni aan de slag.
Frank van Summeren, adviseur veiligheid bij RONT Management Consultants.
Vergoeding van schade is een belangrijk onderdeel van het recht doen aan slachtoffers. Het draagt bij aan de vergoeding van materiele schade en biedt erkenning voor wat het slachtoffer is aangedaan.
Het huidige organisch gegroeide stelsel van schadevergoedingsregelingen voldoet in de praktijk niet altijd meer. Zo kunnen slachtoffers met eenvoudige schades zich voegen in het strafproces, waarbij de overheid de opgelegde schadevergoeding (deels) voorschiet en voor hen int. Bij juridisch complexere schades is dat niet mogelijk. Slachtoffers moeten dan zelf naar de civiele rechter. Dat is vaak een langere procedure, waarbij het slachtoffer griffierechten moet betalen en zelf het bedrag moet innen. Als de dader geen geld heeft, blijft het slachtoffer met de schade achter.
Ook is de hoogte van een schadevergoeding nu afhankelijk van het feit of er een dader bekend is. Als er geen dader bekend is, kan een slachtoffer alleen terecht bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven voor een tegemoetkoming. Dit is alleen mogelijk voor slachtoffers van bepaalde gewelds- en zedenmisdrijven, terwijl slachtoffers van andere misdrijven ook grote schade kunnen hebben.
Het college wordt gevraagd te adviseren over de mogelijkheden om tot een afgewogen, consequent en betaalbaar stelsel voor schadevergoeding en tegemoetkoming van schade voor slachtoffers te komen. Tegelijkertijd wordt advies gevraagd aan het college over de rol van de overheid hierin.
Wetsvoorstel bevorderen integriteit decentraal bestuur naar Raad van State
De ministerraad heeft op voorstel van minister Ollongren van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ingestemd met een wetsvoorstel voor het bevorderen van de integriteit van het decentraal bestuur. Met dit wetsvoorstel wordt tegemoet gekomen aan de behoefte van lokale en regionale overheden aan nieuwe mogelijkheden om met bestuurlijke problemen en integriteitskwesties om te gaan. Het wetsvoorstel leidt tot wijzigingen van de Gemeentewet, de Provinciewet, de Waterschapswet, de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en de Kieswet.
Frank van Summeren, adviseur veiligheid bij RONT Management Consultants en docent op de training casusregie voor de aanpak van ondermijning.
Zo wordt het voor aankomende wethouders, gedeputeerden, leden van het dagelijks bestuur van waterschappen en eilandgedeputeerden van Bonaire, Sint Eustatius en Saba verplicht een VOG (Verplichting Verklaring Omtrent Gedrag) bij hun benoeming te overleggen. Daarnaast worden bepalingen die betrekking hebben op belangenverstrengeling van bestuurders verduidelijkt. Dit gaat om de functies die niet verenigbaar zijn met het politieke ambt, handelingen die voor een politiek ambtsdrager verboden zijn en de verplichting om zich onder bepaalde omstandigheden van beraadslaging en stemming te onthouden. Verder worden de wettelijke bepalingen met betrekking tot het opleggen en opheffen van geheimhouding vereenvoudigd.
Ook wordt de informatiepositie van de commissaris van de Koning versterkt door hem recht te geven (besloten) vergaderingen bij te wonen en documenten met (geheime) informatie in te zien. Hiermee krijgt de commissaris van de Koning meer concrete handvatten om zijn bestaande wettelijke taak om te adviseren en te bemiddelen bij verstoorde bestuurlijke verhoudingen in een gemeente of als de bestuurlijke integriteit van een gemeente in het geding is, uit te voeren.
Tot slot worden de bestaande regels voor herverdeling van zetels bij lijstuitputting uitgebreid. Dit is nu slechts mogelijk in de kleinste gemeenten bij gemeenteraden met een omvang tot 13 zetels, maar wordt uitgebreid tot gemeenten met gemeenteraden met een omvang tot 19 zetels. Dit voorkomt dat ook in deze gemeenten bij bestuurlijke problemen raadzetels leeg blijven.
Extra geld voor de begeleiding van kwetsbare jongeren naar werk
De 35 arbeidsmarktregio’s krijgen extra geld om jongeren in het praktijkonderwijs of voortgezet speciaal onderwijs te begeleiden naar werk. Voor het schooljaar 2020-2021 was hier al 8,5 miljoen euro voor beschikbaar gemaakt door staatssecretaris Van Ark (SZW). Zij maakt aanvullend nog eens 8,5 miljoen euro vrij voor deze doelgroep vanuit het Europees sociaal fonds (ESF).
Frank van Summeren, adviseur bij RONT Management Consultants en docent op de training casus- en procesregie op zorg en veiligheid.
Kwetsbare jongeren met een leerprobleem
Praktijkonderwijs (pro) is bedoeld voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben en leren door vooral te doen in de praktijk. Op het voortgezet speciaal onderwijs (vso) zitten leerlingen met een leerprobleem als gevolg van fysieke of psychische beperkingen. Het gaat in totaal om zo’n 67.000 leerlingen voor wie geldt dat een succesvolle overgang van school naar werk erg belangrijk is voor een stabiele toekomst.
Gevolgen coronacrisis voor kwetsbare jongeren
Staatssecretaris Tamara van Ark: ‘Juist in deze tijd waarin we kampen met de gevolgen van de coronacrisis en de effecten daarvan op de bemiddeling naar werk, kunnen deze middelen uitkomst bieden voor kwetsbare jongeren die van school komen. Ik roep gemeenten in de arbeidsmarktregio’s op om samen met vso- en pro-scholen en werkgevers te komen tot een duurzame infrastructuur om deze jongeren naar duurzaam werk te begeleiden, via bijvoorbeeld stages en jobcoaching.’
Impulsmiddelen voor kwetsbare jongeren
Arbeidsmarktregio’s krijgen de 8,5 miljoen euro aan eerder toegekende ‘impulsmiddelen’ vanaf eind mei 2020 in de vorm van een decentralisatie-uitkering. In de periode 1 juni- 31 juli 2020 kunnen de arbeidsmarktregio’s vervolgens een aanvraag indienen voor ESF-subsidie. Zij kunnen met ingang van het nieuwe schooljaar in september jongeren ondersteunen met deze gelden.
Vangnet sociaal advocaten vanwege coronacrisis
Het kabinet komt met een vangnet voor sociaal advocaten om ervoor te zorgen dat mensen met een kleine portemonnee toegang tot het recht blijven houden. Daarom komt er een tegemoetkomingsregeling voor sociaal advocaten die dit jaar hun vergoedingen vanuit de gesubsidieerde rechtsbijstand met meer dan 20% zien dalen. De ministerraad heeft daarmee ingestemd op voorstel van minister Dekker voor Rechtsbescherming.
Frank van Summeren, adviseur bij RONT Management Consultants en docent op de training casus- en procesregie op zorg en veiligheid.
Minister Dekker: “Ik vind het belangrijk dat mensen die wat minder te besteden hebben ook hun recht kunnen blijven halen in de toekomst, bijvoorbeeld bij een arbeidsconflict of huisuitzetting. Om te voorkomen dat degenen die hen daarbij juridisch helpen door de coronacrisis kopje onder gaan, komt er een vangnet. Zo kunnen sociaal advocaten en mediators bij dalende vergoedingen vanuit de gesubsidieerde rechtsbijstand toch op de been blijven, door in een deel van hun daling van vergoedingen tegemoet te komen.”
Tegemoetkoming
Sociaal advocaten (waaronder advocaten, mediators en bijzondere curatoren die ingeschreven staan bij de Raad voor Rechtsbijstand) die hun vergoedingen in vergelijking met vorig jaar met meer dan 20% zien dalen, kunnen een aanvraag doen voor een tegemoetkoming. Dit houdt in dat zij over het gedeelte dat boven die daling van 20% ligt een tegemoetkoming tot 80% van de vergoeding krijgen. De nadere uitwerking van de regeling volgt op korte termijn.
Eerdere maatregelen
Dit vangnet komt in aanvulling op de eerder genomen maatregelen voor sociaal advocaten, te weten de extra voorschotregeling, de zittingstoeslag voor schriftelijke zittingen en tussentijdse declaratie in extra-uren-zaken. Deze maatregelen zijn bedoeld als steun voor de sociale advocatuur en zijn aanvullend op de al eerder genomen maatregelen voor ondernemers.
Nieuwe regeling voor vergoeding kosten drugsafvaldumping
Particulieren met schade op hun terrein door illegaal gedumpt drugsafval krijgen dankzij een nieuwe regeling de kosten van het opruimen 100 procent vergoed in plaats van voor de helft. Gemeenten behouden als mede-overheid van de Staat een compensatie van 50 procent voor de financiële schade van het opruimen van drugsafvaldumpingen. Voor de nieuwe subsidieregeling is jaarlijks 1 miljoen euro uitgetrokken tot en met 2024.
Frank van Summeren, adviseur veiligheid bij RONT Management Consultants en docent op de training casusregie voor de aanpak van ondermijning.
De nieuwe regeling is tot stand gekomen in overleg met het Interprovinciaal Overleg (IPO) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). De provincies hebben voorgesteld om de subsidieregeling in de loop van juni 2020 centraal via hen te regelen. De provincies zullen over het centrale loket op hun websites gaan communiceren met een link naar informatie over de subsidies en het aanmeldformulier. Zolang dit centrale loket dit jaar nog niet operationeel is, neemt de provincie Noord-Brabant gedurende de overgangsfase in 2020 de subsidieverzoeken in behandeling voor heel Nederland.
Sinds 2015 werden zowel particulieren als decentrale overheden via cofinanciering gecompenseerd voor ten hoogste 50 procent van de kosten van het opruimen van drugsafvaldumpingen. De nieuwe regeling vervangt deze oude voorziening die mede werd bekostigd uit een eenmalig bedrag van 3 miljoen euro uit de begroting van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Bij deze oude regeling had de provincie Noord-Brabant al een coördinerende en faciliterende rol.
“Drugsafvaldumpingen zijn een duidelijk voorbeeld van hoe schadelijk en ondermijnend drugscriminaliteit is voor onze samenleving. Onze woonomgeving, natuur en milieu worden in gevaar gebracht door nietsontziende criminelen die alleen maar uit zijn op zoveel mogelijk financiële winst. Behalve de compensatieregeling voor gedupeerde grondeigenaren, zetten we daarom vol in op de aanpak van de drugsproductie en maken we het producenten van synthetische drugs moeilijker hun illegale waren in Nederland te produceren.’’ aldus minister Grapperhaus. Voor de zomer informeert de minister de Tweede Kamerover de nadere uitwerking van het brede offensief tegen ondermijnende criminaliteit.
Alcoholenkelband landelijk ingevoerd
De Alcoholmeter, een enkelband die via het zweet alcoholgebruik meet, wordt na een aantal succesvolle pilots nu landelijk ingevoerd. Minister Grapperhaus van Justitie en Veiligheid zal hiervoor een wetswijziging van het Wetboek van Strafrecht voorbereiden.
Frank van Summeren, adviseur veiligheid bij RONT Management Consultants en hoofddocent op de opleiding integraal toezichthouder handhaving.
De Alcoholmeter is een betrouwbaar controlemiddel gebleken voor de naleving van het alcoholverbod en helpt zo alcoholmisbruik, het plegen van misdaden en rijden onder invloed van alcohol te voorkomen.
Gedragsverandering
“Veel geweldsdelicten worden onder invloed van drank gepleegd, zoals geweld bij het uitgaan, voetbal of in huiselijke sfeer. De Alcoholmeter is een effectieve manier om tot gedragsverandering te komen. Daarom wil ik dat de enkelband landelijk ingezet kan worden.” Dat zegt minister Grapperhaus.
Naleving
Mensen die veroordeeld worden, kunnen als bijzondere voorwaarde een alcoholverbod opgelegd krijgen. Nu wordt de naleving hiervan gemiddeld twee keer per week door de reclassering gecontroleerd via een blaastest, bloed- of urineonderzoek. Het is daarmee nu een momentopname, waardoor het alcoholverbod tussentijd overtreden kan worden. Op initiatief van de Stichting Verslavingsreclassering GGZ, het Openbaar Ministerie en het ministerie van Justitie en Veiligheid wordt daarom sinds 2017 de werking van de Alcoholmeter getest in pilots. Dat is belangrijk omdat de maatschappelijke schade van alcoholmisbruik, waaronder de inzet van politie en justitie en de schade door verkeersongevallen, op 2,3 tot 4,2 miljard euro per jaar wordt geraamd. Samen met de financiële gevolgen voor mensen door verlies van kwaliteit van leven en zelfs voortijdige sterfte loopt de maatschappelijke schade op tot 6,1 miljard euro.
Resultaten
De dragers zijn in het algemeen positief over de invloed van de Alcoholmeter. Zo geeft 74% van de dragers aan dat het dragen van de Alcoholmeter een positieve invloed heeft gehad op hun alcoholgebruik en de bewustwording daarvan. Daarnaast blijkt uit de metingen van de Alcoholmeter dat 71% niet heeft gedronken in de draagperiode, terwijl een deel van hen dat in principe wel mocht. Voor het totaal van alle dragers is op 92% van de dagen dat de Alcoholmeter is gedragen, géén alcohol gemeten. Ook na het dragen lijkt de Alcoholmeter positieve invloed te hebben op het drinkgedrag. Zo geeft 52% van de dragers drie maanden na het verwijderen van de Alcoholmeter aan in die drie maanden niet te hebben gedronken. Het dragen van de Alcoholmeter lijkt eveneens een positieve invloed te hebben op het delictgedrag van de dragers. Dragers van de Alcoholmeter komen tijdens de draagperiode met 10% minder vaak in de politieregistraties voor dan de controlegroep die alleen urinecontroles ondergaat (51%). Dit verschil blijft bestaan drie maanden na het verwijderen van de Alcoholmeter dan wel na de periode van de urinecontroles (17% tegenover 52%). Het grootste gerapporteerde nadeel van de Alcoholmeter is het formaat en daarmee het draagcomfort. De dragers vinden de Alcoholmeter te groot en te stug. Sommigen ervaren jeuk, geïrriteerde huid, of blauwe plekken. De leverancier van de Alcoholmeter zal daarom dit jaar een nieuwe band gaan testen.
Landelijke uitrol
Na afronding van het wetgevingstraject kan de landelijke implementatie van de Alcoholmeter van start gaan. Saskia Capello, directeur Verslavingsreclassering: “Wij zijn blij met de resultaten van het onderzoek, dit is een belangrijke uitkomst. De Alcoholmeter in combinatie met reclasseringstoezicht draagt bij aan een veiligere samenleving, de pilot laat zien dat dragers van een Alcoholmeter significant minder delicten plegen. De Alcoholmeter wordt al succesvol ingezet in het buitenland en nu ook in Nederland.”
Waarom vraagt bestrijding van ondermijning om een integrale aanpak?
De aanpak van ondermijnende georganiseerde criminaliteit staat in ieder veiligheidsplan met stip op een. Naast een criminaliteitsprobleem is ondermijning namelijk ook een (sociaal) maatschappelijk probleem. De gevolgen van ondermijning zijn groot voor de veiligheid en leefbaarheid in de buurt. Ondermijning is onzichtbaar en veelzijdig van aard en dit maakt het zo complex.
Frank van Summeren, adviseur veiligheid bij RONT Management Consultants en hoofddocent op de jaaropleiding integrale aanpak van ondermijning.
Waarom is een integrale aanpak van ondermijning noodzakelijk?
Verschillende buurten in Nederland staan op het kantelpunt om af te glijden waarbij het welzijn van de bewoners, de leefbaarheid van de omgeving en/of de veiligheid in het gedrang kunnen komen. Door een opeenstapeling van sociale en economische problematiek in kwetsbare buurten, kan een voedingsbodem voor ondermijning ontstaan. In deze kwetsbare buurten misbruiken enkele bewoners hun woonomgeving voor hun eigen gewin door kwetsbare buurtbewoners hand- en spandiensten te laten verlenen voor criminele activiteiten. Dit is met name verleidelijk voor kwetsbare bewoners wanneer deelname aan criminele activiteiten meer kansen biedt op economische en sociale stijging dan hun reguliere werkzaamheden. Het keren van deze ontwikkeling vraagt om een integrale aanpak om de weerbaarheid van de buurt en haar bewoners te bevorderen en tegelijkertijd de voedingsbodem voor ondermijning te reduceren. In deze integrale aanpak wordt op buurtniveau samengewerkt door de gemeente, woningcorporaties, scholen, zorg- en welzijnsinstellingen, politie, openbaar ministerie, buurtbewoners en ondernemers.
Wat houdt een integrale aanpak in?
De (rijks)overheid wil de aanpak van ondermijning intensiveren door de samenwerking te zoeken met maatschappelijke partners. Complexe problematiek als ondermijning vraagt om een integrale aanpak waarbij alle relevante (veiligheids)partners samenwerken en hun interventies op elkaar afstemmen om de impact te vergroten. De ambitie is een georganiseerde overheid tegen georganiseerde criminaliteit. Op lokaal en regionaal niveau werken gemeenten samen aan maatschappelijke weerbaarheid. Georganiseerde Criminaliteit stopt echter niet aan de grens. Op internationaal niveau wordt samengewerkt om grensoverschrijdende criminele netwerken aan te pakken. Ondermijnende georganiseerde criminaliteit vindt met name plaats in achtergestelde gebieden (zoals kwetsbare wijken, voormalige vakantieparken, woonwagenlocaties en bedrijventerreinen) die zich aan het zicht van de overheid onttrekken. Het keren van deze ontwikkeling vraagt om een gebiedsgerichte (maatwerk) aanpak om de weerbaarheid van de omgeving te bevorderen en tegelijkertijd de voedingsbodem voor ondermijning te reduceren. Criminele netwerken verplaatsen zich van de onder- naar de bovenwereld. Ze gebruiken plaatselijke infrastructuren en faciliteiten. Om criminele inmenging in de maatschappij te voorkomen werkt een brede maatschappelijke coalitie onder leiding van het (lokaal) bestuur aan een verantwoord, veilig en vitaal ondernemersklimaat. Om ondermijnende georganiseerde criminaliteit gericht aan te pakken is regievoering cruciaal. De regisseur ziet er op toe dat de betrokken (veiligheids)partners een plan van aanpak opstellen, bewaakt de uitvoering en voortgang daarvan en grijpt in wanneer de situatie daarom vraagt. Om regie te voren is een goede informatiepositie vereist waarmee gezamenlijk een interventiestrategie kan worden bepaald. De overheid wil haar informatiepositie versterken door het registreren, delen, bundelen en analyseren van de informatie die bij de (veiligheids)partners aanwezig is. Op basis van de verkregen informatie kan tot slot verantwoording worden afgelegd over de gehanteerde aanpak van ondermijnende georganiseerde criminaliteit. Wil je daadwerkelijk het verschil maken, dan moet aan alle bovengenoemde voorwaarden zijn voldaan.
Hoe werk je integraal samen met partners om ondermijning en georganiseerde criminaliteit te bestrijden?
Iedereen wil integraal werken maar tegelijkertijd is het voor betrokkenen onduidelijk hoe je integraal werkt. Organisaties werken nog steeds te veel vanuit eigen doelen en belangen. Bij de aanpak van ondermijning zijn veel organisaties betrokken. De organisaties stemmen hun interventies regelmatig nog onvoldoende op elkaar af. Tegelijkertijd is er onvoldoende zicht op de meerwaarde van betrokken organisaties voor de totale aanpak en ontbreekt het aan een constructieve werkwijze voor het overbruggen van belangenverschillen. Ook wordt vaak niet de inhoud, maar de structuur van het netwerk van organisaties centraal gesteld. Te ver doorslaan in integraal werken leidt tot verdichting en een toename van overleggen. Dit gaat ten koste van een slagvaardige uitvoering. Maar wat maakt nu de kans op succes bij een integrale aanpak groter en wanneer moeten we op onze hoede zijn voor een mislukking? Voor een succesvolle uitvoering van een integrale aanpak is een goede informatiepositie noodzakelijk. Het is voor de betrokken organisaties afzonderlijk van elkaar vaak niet duidelijk wat er exact speelt in een ondermijningscasus. Dit maakt het niet mogelijk om hier adequaat op in te spelen. Door de informatie van de afzonderlijke organisaties bij elkaar te brengen, ontstaat vaak wel een completer beeld van de situatie. Je moet weten waar ondermijning zich voordoet en wat de oorzaken zijn voordat je deze kunt oplossen. Om een compleet beeld te krijgen van de aard, omvang en aanleiding van ondermijning is informatie uitwisseling met veiligheidspartners cruciaal. Zij beschikken vaak over belangrijke relevante informatie die je nodig hebt om ondermijning gericht aan te pakken. Om basis van de opgebouwde informatiepositie kom je vervolgens tot een weloverwogen interventiestrategie waar de betrokken organisaties hun werkwijze op af stemmen. Op deze manier is de inhoud leidend bij de aanpak van ondermijning in plaats van de structuur van het netwerk van organisaties. De kern van informatie gestuurd werken is het in kaart brengen en analyseren van gebeurtenissen, signalen en trends op wijk-, buurt- en straatniveau en het in beeld brengen van risico’s en ondermijnend en crimineel gedrag als basis voor het signaleren van ontwikkelingen en het nemen van maatregelen.
Grapperhaus moderniseert wetgeving seksueel grensoverschrijdend gedrag
De wetgeving over seksueel grensoverschrijdend gedrag moet volgens minister Grapperhaus van Justitie en Veiligheid meer bij de tijd worden gebracht. Seksuele en seksueel getinte misdrijven kennen tegenwoordig vele verschijningsvormen en komen zowel offline als online voor. In een voorontwerp voor een wetsvoorstel dat in consultatie gaat, worden de strafbaarstellingen van seksuele misdrijven aangescherpt en uitgebreid om slachtoffers beter te beschermen.
Frank van Summeren, adviseur bij RONT Management Consultants en docent op de training casus- en procesregie op zorg en veiligheid.
Het ministerie van Justitie en Veiligheid stelt voor om de strafbaarstelling van seksuele misdrijven in het Wetboek van Strafrecht uit te breiden en aan te scherpen. Straffen worden verhoogd en meer vormen van grensoverschrijdend gedrag worden strafbaar gesteld. Ook als dat online gebeurt. Zo bieden we slachtoffers en kwetsbare groepen, waaronder kinderen, meer bescherming en krijgen politie en openbaar ministerie meer mogelijkheden om op te treden. Deze aanpassingen brengen de wet weer bij de tijd.
Slachtoffers beter beschermd
De lat voor strafbaarheid ligt bij onvrijwillige seks nu soms te hoog. Het bewijs dat iemand tot seks gedwongen is, is niet altijd rond te krijgen. Slachtoffers die niet in staat zijn zich te verzetten, bijvoorbeeld doordat ze bevriezen of verstijven, worden in de nieuwe wetgeving beter beschermd. Ook kunnen slachtoffers in meer situaties aangifte doen.
Ruimere mogelijkheden om op te treden
Slachtoffers van seksueel overschrijdend gedrag kunnen straks in meer situaties aangifte doen. Politie en openbaar ministerie krijgen met het wetsvoorstel ruimere mogelijkheden om op te treden. “Seksueel grensoverschrijdend gedrag komt te veel voor en heeft vaak indringende en langdurige gevolgen. Mensen voelen zich onveilig, gekwetst of vernederd. Seks moet vrijwillig en gelijkwaardig zijn; dat is de sociale norm.’’ aldus minister Grapperhaus. Het gaat om gedrag dat in de samenleving sterker wordt afgekeurd dan voorheen en dat als schadelijk en strafwaardig wordt ervaren. Daarom moet volgens de minister duidelijker worden gemaakt wat wel en niet kan.
Online en offline
Door toename van het gebruik van internet, sociale media en smartphones is er meer online seksueel contact. Dit maakt het mogelijk seksuele misdrijven ook op afstand te plegen. Uitgangspunt in de nieuwe wet is dat seksuele grensoverschrijding online even strafwaardig is als offline. Vooral kinderen zijn kwetsbaar voor online seksueel misbruik. Zij beschikken op steeds jongere leeftijd over een smartphone en zijn makkelijker bereikbaar voor mensen die kwaad willen. Grapperhaus wil kinderen beter beschermen tegen seksueel misbruik. Nieuw is dat sexchatting expliciet strafbaar wordt gesteld. Als stelselmatig op seksuele wijze met kinderen wordt gecommuniceerd door volwassenen is dat schadelijk voor hun ontwikkeling. Op sexchatting komt een gevangenisstraf van maximaal twee jaar te staan. Bij de tijd brengen betekent ook rekening houden met bestaande opvattingen over normaal seksueel gedrag van jongeren. Daarom regelt de nieuwe wet dat sexting – de uitwisseling van zelfgemaakt seksueel beeldmateriaal onder jongeren – niet strafbaar is in een gelijkwaardige situatie tussen leeftijdsgenoten en als het beeldmateriaal uitsluitend bestemd is voor privégebruik. Sexting wordt tegenwoordig gezien als experimenteergedrag dat ook onderdeel kan zijn van de seksuele ontwikkeling van jongeren. Nu valt het nog onder de strafbepaling van kinderpornografie. Verder is in het voorontwerp opgenomen dat normaal, gelijkwaardig, seksueel verkeer tussen jongeren van twaalf tot zestien jaar niet strafbaar is.
Onvrijwillige seks
Een belangrijke uitbreiding is de strafbaarstelling van seks tegen de wil. Straks ben je strafbaar als je weet, of op grond van de feiten en omstandigheden behoort te weten, dat de seksuele handelingen tegen de wil van de ander zijn. Als iemand duidelijk ‘nee’ zegt of afhoudende gebaren maakt, weet je dat het tegen de wil is. Een ‘nee’ is een ‘nee’. Geen ‘nee’, betekent niet zomaar ‘ja’. Als de ander zich niet helder uitspreekt, moet je eerst nagaan of diegene wel seksueel contact wil. Doe je dat niet, dan riskeer je straf. Verder breidt minister Grapperhaus de strafbaarstelling van verkrachting uit. Het komt voor dat een mannelijk slachtoffer door chantage wordt gedwongen tot seksuele penetratie van het lichaam van de dader. Dat wordt nu nog gezien als aanranding, maar valt straks onder verkrachting. Hiermee kan op gelijke wijze recht worden gedaan aan mannelijke en vrouwelijke slachtoffers van seksueel geweld. Onder de nieuwe strafbaarstelling valt ook de dader die het slachtoffer dwingt het eigen lichaam of van een derde seksueel binnen te dringen.
Seksuele intimidatie
Ook wordt seksuele intimidatie strafbaar. Door seksueel intimiderend gedrag voelen veel mensen zich onveilig. Zo kan het voorkomen dat een vrouw bepaalde straten ontwijkt, of zich anders gaat kleden, alleen maar om te voorkomen dat zij seksuele toespelingen te horen krijgt op straat of dat ze onverhoeds of ongewenst seksueel wordt aangeraakt. Online komt het ook regelmatig voor, bijvoorbeeld op social media of chatsites, dat seksueel getinte opmerkingen worden gemaakt. Die hebben vaak een grote impact op het gevoel van veiligheid of waardigheid van mensen. Dit wil Grapperhaus aanpakken.
Hogere straffen
Naast nieuwe strafbaarstellingen worden ook straffen verhoogd voor een aantal seksuele misdrijven. Bijvoorbeeld seksuele handelingen met een kind jonger dan twaalf jaar. Hiervoor gaat de gevangenisstraf naar maximaal vijftien jaar. Is het kind tussen de twaalf en zestien jaar dan wordt de gevangenisstraf maximaal twaalf jaar. Ook andere kwetsbare en weerloze personen worden beter beschermd tegen seksueel misbruik. Bijvoorbeeld iemand die zich in een roes bevindt na gebruik van drugs of alcohol. In dat geval wordt de maximale gevangenisstraf ook verhoogd naar twaalf jaar.
Betere veiligheidssamenwerking met nieuw Benelux-politieverdrag
Grensoverschrijdend politieonderzoek en -optreden wordt beter dankzij het nieuwe Benelux-politieverdrag. De ministerraad heeft op voorstel van de ministers van Buitenlandse Zaken, van Justitie en Veiligheid en van Defensie, minister Grapperhaus gemachtigd het wetsvoorstel tot goedkeuring en uitvoering van het verdrag voor advies voor te leggen aan de Raad van State. Dit verdrag is op 23 juli 2018 ondertekend door de verantwoordelijke ministers van de drie landen.
Frank van Summeren, adviseur veiligheid bij RONT Management Consultants en docent op de training casusregie voor de aanpak van ondermijning.
Na advisering door de Raad van State wordt het wetsvoorstel bij de Tweede Kamer ingediend. Na behandeling en aanvaarding van het wetsvoorstel door de Tweede en Eerste Kamer zal de Nederlandse goedkeuringsprocedure van het verdrag zijn afgrond. Als ook België en Luxemburg het verdrag bij wet hebben goedgekeurd kan het verdrag in werking treden. De tekst van het wetsvoorstel wordt openbaar bij indiening bij de Tweede Kamer.
Criminaliteit stopt niet bij de grens
Minister Grapperhaus: “Criminaliteit stopt niet bij de grens. Onze politiediensten moeten daarom in staat worden gesteld om beter met elkaar samen te werken en informatie te delen die nodig is om deze criminelen op te pakken. En door nauwere samenwerking met lokaal bestuur over de grens, zorgen we voor een effectievere bestrijding van georganiseerde criminaliteit. Daar zorgt dit verdrag voor.”
Grensoverschrijdend optreden
Met het nieuwe Benelux-politieverdrag wordt rechtstreekse toegang mogelijk tot elkaars politiedatabanken onder bepaalde voorwaarden. Ook maakt het verdrag grensoverschrijdende achtervolging een stuk makkelijker en verruimt de opsporingsbevoegdheden van politieambtenaren van de Benelux. Zo zal een rechtmatig ingezette achtervolging in het eigen land kunnen worden voortgezet over de grens, zonder de drempels voor strafbare feiten die de huidige regeling kenmerken. In geval van een crisissituatie kunnen voortaan speciale politie-eenheden grensoverschrijdend optreden. Dit is ook mogelijk als ondersteuning bij belangrijke evenementen met een groot veiligheidsrisico zoals een NAVO-top.
Dreigingsbeeld NCTV: aanslag in Nederland blijft voorstelbaar
Een deel van de Nederlandse jihadistische beweging heeft nog steeds de intentie om een terroristische aanslag te plegen. Dat leidt soms zelfs tot concrete plannen. Uit rechts-extremistische hoek komt de mogelijke dreiging van eenlingen. Een terroristische aanslag in Nederland is dus nog steeds voorstelbaar. Daarom blijft het dreigingsniveau op 3 van de 5 staan. Wel is een grootschalige aanslag door de coronacrisis op dit moment minder waarschijnlijk. Dat blijkt uit het 52ste Dreigingsbeeld van de NCTV.
Frank van Summeren, adviseur veiligheid bij RONT Management Consultants.
Jihadisme
De belangrijkste terroristische dreiging in Nederland komt nog steeds uit jihadistische hoek. Twee categorieën jihadisten vormen in het bijzonder een bron van zorg. Gedetineerde jihadisten die elkaar negatief kunnen beïnvloeden in de gevangenis. En teruggekeerde uitreizigers, die bij terroristische groepen zijn aangesloten en strijdervaring hebben opgedaan.
Rechts-extremisme
De rechts-terroristische aanslag in Christchurch heeft wereldwijd meerdere daders geïnspireerd, zoals in El Paso, Oslo, Halle en Hanau. Ook in Nederland is een rechts-terroristische aanslag door een eenling voorstelbaar. Deze inschatting is vooral gebaseerd op de mogelijkheid dat een Nederlandse eenling radicaliseert en tot een rechts-extremistische geweldsdaad overgaat. Nederlandse extreemrechtse groepen zijn marginaal en niet gewelddadig. Er zijn op dit moment geen aansprekende leiders die grote groepen weten te mobiliseren.
Corona
Jihadisten zien het coronavirus als een goddelijke ingreep. Met verwijzingen naar de pandemie wordt het Westen door zowel ISIS als al Qa’ida terechtgewezen. Nu westerse militairen zijn teruggehaald om in eigen land bij te dragen aan de pandemiebestrijding krijgen jihadisten meer speelruimte. Tegelijk wordt de bewegingsvrijheid van jihadisten belemmerd door de maatregelen die overal in de wereld zijn genomen. De coronadreiging maakt een grootschalige aanslag op dit moment minder waarschijnlijk, omdat het moeilijker is een grote groep mensen te raken.
Extremisme en polarisatie
Ook in dit Dreigingsbeeld worden extremistische en polariserende trends gesignaleerd. Zo vinden er sinds begin april extremistische incidenten plaats bij telecommasten verspreid over Nederland, variërend van sabotage tot brandstichting. Tegenstanders richten zich tegen de overheid, die in hun ogen de volksgezondheid, het milieu of privacy schaadt met de uitrol van 5G. De klimaatdiscussie zorgt voor verdeeldheid in het Nederlandse extreemlinkse landschap. Extreemlinkse en links-extremistische groeperingen die zich oorspronkelijk richtten op andere onderwerpen verbinden het thema klimaat met hun eigen onderwerpen. De extreemlinkse beweging in Nederland is, zeker in vergelijking met landen als Duitsland of Frankrijk, beperkt in omvang en activiteit. Acties beperken zich voornamelijk tot het woord in plaats van de daad.



